Geen verzoening zonder bekering
Gesprekken over de Joodse traditie

Tijdens het werkbezoek van de Israëlconsulent, drs. C.J. Rodenburg, zal er op de Christelijke Hogeschool te Ede een presentatie zijn van het boek Geen verzoening zonder bekering. Gesprekken over de Joodse traditie. Dit is een vrucht van de studieopdracht die ds. Rodenburg in Jeruzalem heeft. Het boek verschijnt in de CHE-reeks. De presentatie er­van zal vooral gericht zijn op studenten.

De presentatie is geweest op vrijdag 13 november 2009 van 12.00-14.00 uur in het gebouw van de CHE. De auteur heeft een inleiding gegeven op zijn boek. En er werden twee reacties op het boek gegeven door Lody B. van de Kamp, rabbijn, en prof.dr. Jan Hoek. Lees ook het artikel in het Reformatorisch Dagblad dat verscheen n.a.v. van deze boekpresentatie.

Dit boekje behandelt de betekenis van bekering en verzoening in het Jodendom. Centraal staat de vraag hoe religi­euze Joden hierover denken en hoe dit hun leven beïnvloedt. We proberen de samenhang tussen denken en leven, overtuigingen en levenshouding te ontdekken.

Bijzonder aan de opzet is met name dat vertegenwoordigers van vier verschillende stromingen binnen het Jodendom uitvoerig aan het woord komen. Daardoor krijgen lezers een indruk van de verscheidenheid van het Jodendom en interne Joodse discussies over essentiële vragen. Ook komt daardoor sterk naar voren waardoor kennismaking met het Jodendom voor christenen verrijkend kan zijn.

U kunt de publicatie bestellen voor een bedrag van € 11,90 via cis@che.nl of via telefoon­nummer 0318-696 577 (dinsdag- en donderdag­morgen). Ook is het boek verkrijgbaar in de boekhandel.

Luister naar het radio-interview met Kees Jan Rodenburg over dit boek. Of het interview met hem in het radioprogramma Dicht bij de Bron
Lees hieronder de bijdrage aan boekpresentatie “Geen verzoening zonder bekering” van Kees Jan Rodenburg:

Bijdrage van Kees Jan Rodenburg bij de presentatie van “Geen verzoening zonder bekering”

Dankwoord

Het is voor mij een bijzonder voorrecht om deze dag mee te maken. Hoewel ik door mijn taak voor het Centrum voor Israëlstudies veel bezig ben op het vlak van joods-christelijke relaties en contact heb met de joodse en de christelijke gemeenschap, zijn het toch nog steeds uitzonderlijke momenten als daar een wijder publiek bij wordt betrokken. Het CIS heeft juist dat als een van haar doelstellingen en om die reden ben ik blij met deze bijeenkomst.

Graag dank ik iedereen die bij heeft gedragen aan de organisatie hiervan. Ik denk aan Arjen van Trigt van Boekencentrum, Arjan van Vugt van de Christelijke Hogeschool Ede, aan Michaël Mulder en Marsha van Wijhe, respectievelijk directeur en secretaresse van het CIS.

Mijn bijzondere dank gaat uit naar de geachte heren Van der Kamp en Hoek. Zonder hun aanwezigheid en bijdrage zou deze bijeenkomst gemakkelijk tot een promotiepraatje zijn geworden. Hun aanwezigheid en bijdrage maakt ons samenzijn tot een gesprek en het begin van een ontmoeting. Dat is ook het kader waarin mijn boekje over joodse visies op verzoening hoort te staan.

In mijn boekje nemen de gesprekken die ik heb gevoerd met vier vertegenwoordigers van verschillende joodse stromingen een centrale plaats in. Het zijn hun gedachten en ideeën die ik probeer te volgen en te plaatsen in het grotere kader van de ontwikkeling van het jodendom. Daardoor heeft het boekje in feite twee brandpunten: enerzijds het jodendom als het antwoord van de joodse gemeenschap op Gods openbaring, anderzijds de levensvisie en levenspraktijk van concrete mensen in de concrete situatie van de staat Israël van dit moment.

Dat wij hier in Ede met elkaar in gesprek kunnen zijn zie ik als een voortzetting van het gesprek dat ik de afgelopen jaren in Israël kon voeren. De Schrift zegt zelf, in Jesaja 2, dat van Sion het onderricht van God uitgaat en Zijn Woord vanuit Jeruzalem. Misschien mogen we dat woord toepassen op deze morgen. In dat geval is ons bijeen zijn een opdracht, namelijk om tot inzicht te komen in dat woord en  ernaar te streven dat ons gesprek een werktuig wordt van vrede.

Boekje

De idee van dit boekje is ontstaan vanuit de ervaring. Ik kan me nog levendig herinneren hoe ik voor het eerst diensten in de synagoge meemaakte tijdens Grote Verzoendag. Ik hoor de gebeden en zie voor me hoe aanwezigen zich op de borst sloegen uit besef van eigen falen en hoe zij God aanriepen om barmhartigheid en genade. Het jodendom bleek een levende geloofstraditie van mensen met hun concrete verlangens, vragen, hoogte en dieptepunten. Zomaar ineens werd dat zichtbaar in kleinere en grotere gebeurtenissen. Ik denk aan het e-mailtje dat ik eens kreeg waaronder in een postscriptum de vraag stond of iedereen die in het achterliggende jaar gekwetst was door de schrijver dit hem wilde vergeven. En zo stond onlangs ook de moeder van een klasgenootje van een van onze dochters voor de deur, een vrouw die niet bepaald religieus genoemd kan worden. Ze kwam vergeving vragen voor iets lelijks dat haar dochter tegen de onze had gedaan. Zulke gebeurtenissen raakten me en doen dat nog steeds.

Dat werd meer en meer toen ik de joodse wereld van binnenuit begon te leren kennen. Verzoening is in de joodse traditie geen eindpunt, geen happy end na het falen van de mens, maar een doorgaand proces van terugkeer en herstel van een verbroken relatie, waar God en mens samen bij betrokken zijn. Ik hoor het verschillende mensen die ik interviewde zeggen: God geeft ons de mogelijkheid onze zonde, ons falen achter ons te laten en een nieuw begin te maken. Omkeer, tesjoeva, is altijd mogelijk, hoewel het misschien om allerlei redenen onmogelijk zou moeten zijn. Ik hoorde het en dacht: was dat ook niet de boodschap van Jezus’ gelijkenis van de vader en twee zonen (Lucas 15)? In het jodendom wordt deze boodschap beleden en geleefd. Ons bestaan is getekend door de onvolkomenheid en het tekort, maar we mogen hopen op een nieuw begin. Dat is Gods genade.

Dit boekje wil in alle bescheidenheid, maar toch met nadruk, christenen aanzetten tot nadenken en tot gesprek. Nadenken over wat er wezenlijk is voor het jodendom, nadenken over de wijze waarop joden leven voor het aangezicht van God, nadenken over de manier waarop zij de heilige Schriften lezen en ermee leven. Deze kennismaking roept wellicht, en zelfs hopelijk, nieuwe inzichten op, verrassende ontdekkingen over de Schrift en over de brug tussen de Schrift en het concrete leven. Het roept wellicht, en ook dat hoop ik, vragen op over de manier waarop de christelijke traditie met dezelfde thema’s en teksten is omgegaan. Ook kunnen vragen over de relatie en verhouding tussen joden en christenen opkomen. Vanuit die vragen kan interesse in een ontmoeting met de ander ontstaan.

Ik heb er bewust voor gekozen in dit boekje alleen de contouren te schetsen van joodse visies op bekering en verzoening. Mijn poging kan en moet in allerlei opzichten worden gecorrigeerd met wat joden zelf over dat onderwerp zeggen. Daarom ben ik de heer Van der Kamp dankbaar voor zijn bijdrage.

Ik heb er eveneens bewust van afgezien een christelijke reactie op deze joodse visies te geven, en wel om twee redenen. De tweede reden geef ik u pas aan het eind van mijn verhaal. De eerste reden is, dat ik wilde voorkomen dat alle aandacht zou uitgaan naar mijn reactie op de joodse visies. Het is mijn doel dat we daar als christenen eerst maar eens goed naar gaan luisteren voor we met ons verhaal komen. Dat neemt niet weg dat we daarover mogen en moeten nadenken. Ik ben blij dat de heer Hoek daar een voorzet voor heeft willen geven die de bezinning kan stimuleren. Desondanks moeten we er naar mijn idee voor waken te snel conclusies te willen trekken. Misschien is het wel belangrijker de stem van de joodse gemeenschap te horen en te laten staan.

Deze waarschuwende woorden hebben uiteraard direct te maken met mijn visie op de dialoog en de ontmoeting tussen joden en christenen. Graag wil ik daar een en ander over zeggen. Ik probeer dat toe te spitsen op het thema van het boekje: bekering en verzoening.

Dialoog

De dialoog tussen joden en christenen is een ingewikkeld en soms moeizaam gebeuren, dat bij buitenstaanders niet zelden vragen en vraagtekens oproept, maar dat desondanks de afgelopen decennia veel heeft opgeleverd. De onlangs in Berlijn opgestelde verklaring van joods-christelijke organisaties geeft een goed overzicht van hetgeen sinds 1947 is gebeurd, het jaar waarin een eerste conferentie plaatsvond in Seelisberg, Zwitserland. In de schaduw van de Holocaust formuleerden joden en christenen toen tien punten waarmee de kerk werd opgeroepen om haar houding ten opzichte van het joodse volk en het jodendom te herzien. De verklaring van 2009 bestaat daarentegen uit twaalf punten waarmee niet alleen de christelijke kerk maar ook de joodse gemeenschap wordt aangesproken. De verklaring heeft de veelzeggende naam ‘Oproep tot hernieuwde inzet.’ Daaruit blijkt iets van zorg. Joden en christenen hebben blijvend de verantwoordelijkheid zich in te zetten tegen antisemitisme, voor erkenning van elkaar, voor een goede beeldvorming van elkaar en voor dialoog. Gewaakt moet worden voor pogingen de ander te willen overtuigen. Godsdienst kan en moet een kracht zijn die bijdraagt aan een betere wereld, onder meer in de complexe situatiue van het Midden-Oosten en in de staat Israël met name.

De verklaring laat zien dat in de dialoog een lange weg is afgelegd. Uit het begin, waarin begrijpelijkerwijs de oproep aan de kerk centraal stond, is het besef gegroeid dat joden én christenen wederzijds verantwoordelijkheden hebben en in beide gemeenschappen blokkades voorkomen die een goede relatie in de weg staan.

Ondanks al deze positieve punten, heb ik toch mijn bedenkingen en zorgen. De verklaring maakt namelijk duidelijk dat de dialoog haar eigen programma heeft vol goede intenties en doelstellingen. Als niet opgepast wordt, gaat de dialoog samenvallen met deze doelstellingen en gaat zij ondertussen voorbij aan wat wezenlijke voor haar is. Wat dat is? Naar mijn mening is dat het gesprek rond de Schriften. Zonder die kern en dat fundament komt de dialoog terecht in de sfeer van filosofie en wereldbeschouwing en ontbreekt datgene wat de dialoog tot een indringend en aansprekend gebeuren maakt, waarin de waarheid zelf ter sprake kan komen.

Moeten we de waarheidsvraag maar niet beter laten rusten? Daar is misschien veel voor te zeggen. Het gevaar is reëel. We kunnen gemakkelijk terugkeren naar een situatie waarin het joods-christelijke gesprek verwordt tot een disputatie en een strijd om het gelijk en pogingen om de ander te overtuigen dat deze moet worden zoals wij.

Kan de Schrift ons hier de weg wijzen? In elk geval helpt de Schrift ons beseffen dat het God zelf is, die sprak en nog steeds spreekt door het Woord. Dat kan ons bevrijd van de noodzaak om om de waarheid te strijden. Wanneer wij met elkaar spreken dan doen we dat als geloofsgetuigen, die beide geroepen zijn tot een leven van dienstbaarheid aan de Ene God.

Verzoening

De wegen van joden en christenen zijn op allerlei punten uiteen gegaan. De diepe kloof die kerk en synagoge van elkaar scheidde werd voornamelijk veroorzaakt door de belijdenis dat Jezus de Messias was. In het gesprek tussen joden en christenen komt die kloof voortdurend naar voren. Rond het thema verzoening gebeurt dat uiteraard expliciet, maar op andere momenten evenzeer. Uitgesproken of onuitgesproken is Hij altijd aanwezig.

In het klassieke dispuut tussen jodendom en christendom stonden vertegenwoordigers van twee godsdiensten tegenover elkaar. Joden moesten zich verantwoorden voor hun ongeloof in Jezus en christenen bepaalden de agenda en uitkomst van de debatten. Niet zelden werden joden gedwongen mee te doen en stonden zij onder zware druk. Slechts in uitzonderlijke gevallen hadden joden de mogelijkheid vrijuit te spreken, zonder dat dat gevolgen zou hebben voor hun persoonlijke omstandigheden. Het dispuut tussen de bekeerde jood Pablo Christiani en rabbijn Nachmanides in de twaalfde eeuw is daarvan het klassieke voorbeeld. Desondanks had ook dit dispuut een eenduidig doel, namelijk om de waarheid van het christendom te bevestigen. De Messias is gekomen, zo luidde de stelling; Hij was mens en God; de christelijke leeswijze van de Bijbel is de enige juiste.

Vanaf de 19e eeuw kreeg het gesprek tussen joden en christenen in veel opzichten een ander karakter. Dat komt bijvoorbeeld naar voren in het existentiële en filosofische gesprek dat Rosenzweig voerde met zijn vrienden, waaronder enkele joden die tot het christendom waren overgegaan.

In de recente geschiedenis heeft zich deze benadering doorgezet in de dialoog. We leven in een tijd waarin christenen de joodse stem zijn gaan waarderen en, zij het sporadisch, vanuit de joodse gemeenschap voorzichtig positief wordt gesproken over het christendom. Een voorbeeld daarvan is het boek ‘Christianity in Jewish Terms’ dat een aantal prominente joodse wetenschappers publiceerden (Frymer-Kenski, Ochs, Novak), en waarin zij probeerden het christelijk geloof te begrijpen vanuit joodse kaders en begrippen. Wat levert zo’n benadering op? Stefan Kepnes gaat in op het christelijke begrip erfzonde. Algemeen wordt gesteld dat het jodendom deze leer niet kent en met volle overtuiging verwerpt. De mens is vrij te kiezen voor goed of kwaad en is niet geboren in zonde. Kepnes stelt echter dat de leer van de erfzonde gelijkenis vertoont met de joodse idee van ballingschap en vervreemding. De fundamentele ervaring van gebrokenheid en onvolkomenheid en het verlangen van de mens naar heelheid wordt door zowel joden als christenen gekend. Vanuit die invalshoek kan een zinvol gesprek op gang komen.

Opvallend in de bundel is overigens dat de christelijke reactie van Miroslav Volf afsluit met een oproep. Hij vraagt zich af waarom Kepnes niet veel meer kritische vragen stelt aan het christendom. Volgens Volf is dat nodig, willen joden en christenen elkaar iets te zeggen hebben.

Ik stem daarmee in. Soms lijkt de dialoog omzichtig om lastige vragen heen te lopen. Het is daarom goed op te merken, dat er in onze tijd een andersoortige dialoog bestaat, namelijke de wetenschappelijke vergelijking tussen jodendom en christendom. In talloze publicaties hebben de joodse Jacob Neusner en de christelijke Bruce Chilton kernthema’s vergeleken. Opmerkelijk aan hun benadering is, dat zij het theologische debat zoeken en de confrontatie bewust aangaan. In hun inleiding schrijven zij, dat de dialoogwereld vaak ten onrechte voorbijgaat aan het uiteengroeien van jodendom en christendom en de waarheidsvraag wordt vermeden. Deze auteurs doen het omgekeerde en bevragen hun tradities over de verworteling in de Schrift en de houdbaarheid van centrale stellingen. Hun herhaalde conclusie is, dat jodendom en christendom twee geheel verschillende perspectieven hanteren, maar allebei recht van spreken hebben.

Ook rond verzoening komt dat naar voren. De joodse visie op verzoening benadrukt de omkeer van een mens van zijn zonde en de zekerheid dat na tesjoeva de relatie tot God hersteld is. Het christelijk geloof stelt daarentegen dat God heeft ingegrepen ten behoeve van het menselijk bestaan, dat getekend is door het onvolkomene. Dit verschillend perspectief neemt niet weg dat er een overeenkomst is tussen beide religies, namelijk in het zoeken naar verlossing en tekenen van een weg daar naartoe, zoals Neusner en Chilton zeggen.

Ontmoeting rond Gods Woord

Er zou nog veel meer te zeggen zijn over de uitkomst van zulke gesprekken. Ik wil hier echter benadrukken dat de joods-christelijke relatie het nodig heeft dat we zowel wetenschappelijk, theologisch als existentieel met elkaar nadenken over ons leven voor God en met elkaar. In dat gesprek zal steeds naar voren komen dat jodendom en christendom met Tora en Jezus Messias een verschillende scharnierpunt hebben. Meer nog, de structuur van het joodse en christelijke denken, leven en geloven verschilt. Desondanks gaan beide geloofstradities terug op hetzelfde geopenbaarde Woord.

Wat is de vrucht van deze ontmoeting? De ontmoeting moet het mogelijk maken over en weer te spreken en aangesproken te worden. Dat werkt uit dat we de ander beter leren kennen, onze eigen traditie beter gaan verstaan en kritisch gaan doordenken. Het biedt ons ook de mogelijkheid een goed en oprecht getuigenis te geven van ons eigen geloof. Mits we naar het getuigenis van de ander willen luisteren.
De joodse filosoof Martin Buber heeft er op indrukwekkende wijze op gewezen dat de dialoog het gesprek is van de ene geloofsgetuige met de andere geloofsgetuige.

Zijn woorden krijgen extra betekens als we ons realiseren dat hij in 1933 bereid was een theologisch debat aan te gaan met de christelijke hoogleraar Schmidt. In dat gesprek bracht deze meerdere keren naar voren dat hij als vertegenwoordiger van de kerk niet andere kon dan Buber uitnodigen het christelijk geloof te aanvaarden en deel te worden van de kerk, welke hij als de voortzetting van Israel zag. Buber weigerde, het zal u niet verbazen. In plaats daarvan vertelde hij over zijn regelmatige bezoeken aan de stad Worms. Daar zocht hij steeds twee plaaten op, de indrukwekkende kathedraal van de stad en de oude joodse begraafplaats, vlak daarbij. Ze zijn er beide, zei Buber, de kathedraal en het kerkhof. En toch, het verbond van God met zijn volk is niet ten einde gekomen, zei hij. Het verbond van God met zijn volk is niet ten einde gekomen.
Deze uitspraak brengt ons bij een belangrijk punt. Het joodse volk leeft en de joodse godsdienst is een levende geloofstraditie, een antwoord op Gods stem. We raken hier aan het mysterie van Gods weg met Israel en de wereld, een mysterie dat Paulus kende en aanvaarde. Fundamenteel daarin is, dat Gods verbond met Israel niet is herroepen. Dat houdt in dat Israel en de kerk beide geroepen zijn door God, en leven en spreken in antwoord op zijn stem.

Wat zegt ons dat, moeten we dan toch strijden om de waarheid?

Ik zou er inderdaad voor willen pleiten de waarheidsvraag een plaats te geven in het joods-christelijke gesprek. Ik begrijp het gevaar daarvan en bedoel ook niet dat we om de waarheid in absolute zin moeten strijden. Ik bedoel, dat het onderlinge gesprek niet vrijblijvend kan zijn en een zekere ernst kent. Het gaat daarin immers niet om ons als geloofsgetuigen, maar om God die sprak en spreekt, die riep en roept.

Bijbels gezien is er ruimte voor zo’n benadering van het gesprek. Ik denk aan de belijdenis dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is. Dat Hij de waarheid is, tekent zijn bijzondere relatie tot de Vader. Het betekent echter ook dat wij de waarheid niet hebben, laat staan dat wij de waarheid zijn. Dit onderscheid tussen de waarheid en onszelf mogen we nooit uit het oog verliezen; het relativeert ons spreken en geeft tegelijkertijd ontspanning in het gesprek met joden. Daarnaast moeten we ons realiseren dat geloof slechts door God gewekt kan worden. Het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat zelfs degenen die bij de kring van Jezus hoorden de ogen moest worden geopend door God. Pas als Jezus zelf verschijnt en het hen uitleg verstaan de Emmausgangers dat Mozes en de Profeten van Hem hebben gesproken (Lucas 24).

Pelgrims

Sam Gerssen, die lang geleden predikant was voor het kerk en Israelwerk van de Nederlandse Hervormde Kerk was, scrhoomde niet om de metafoor van de strijd te gebruiken om de relatie tussen joden en christenen te duiden. Hij stelde echter dat joden en christenen strijden om de inhoud en strekking van een erfenis. De relatie tussen joden en christenen draait om de erfenis die we in Gods Woord hebben gekregen. Daarom moeten we het niveau van onderlinge verschillen en overenkomsten zien te overstijgen. Het gaat om iets anders, om meer, namelijk om het besef dat de Ene God ons beide het Woord heeft gegeven.

Daarin ligt de tweede reden waarom ik er in mijn boekje van afgezien heb om een christe­lijke reactie te geven op joodse visies rond bekering en verzoening. Het boekje moet er niet toe leiden dat we blijven steken in de vergelijking. De werkelijke uitdaging die voor ons ligt is deze, of we elkaar kunnen zien als geloofsgetuigen, als medepelgrims op de weg die God met ons gegaan is. Het Woord van God dat ons roept en de weg wijst, dat ons verzoening en verlossing aanzegt, dat is niet ons woord, maar zijn woord. Wij zijn daarmee onderweg en de vraag is of we onze ogen openen voor andere pelgrims in onze nabijheid.

Ik hoop dat dit boekje ons hiertoe zal aanzetten, tot deze tesjoeva, omkeer, die ons tot Hem en tot elkaar brengt.