Vandaag, 27 september = 7 tisjri

Vandaag is de zevende van ‘de tien geduchte dagen’. In deze tijd wordt bijzondere aandacht gegeven aan het geven van aalmoezen, bidden en vasten.

  • Gerechtigheid, gebed en vasten
  • Twee vragen om over na te denken
  • Extra: Mattheüs 6:1-18

Gerechtigheid, gebed en vasten…

In het begin van Mattheüs 6 komen drie dingen aan de orde die in de geduchte dagen een belangrijke rol spelen. We zagen dat al op Rosj Hasjana, onder het kopje ‘Oordeelsdag’, sub 3. Er is gezegd dat drie dingen veranderen wat over een mens ten kwade besloten is:

vasten roepen geven
bekering, gebed en gerechtigheid

Bij elk van de drie staat een parallel woord klein erboven. Als we naar deze combinatie kijken, zien we die direct in Mattheüs 6:1-18 terug. Dat onderdeel van de Bergrede geeft een drieluik. Centraal het grootste paneel, het gedeelte over het gebed. Dat wordt geflankeerd door woorden over geven (1-4) en vasten (16-18).

Opvallend zijn de parallellen tussen de drie delen. Telkens wordt benadrukt: ‘Doe het niet om door mensen gezien te worden – dan heb je je loon al –, maar doe het in het verborgene – dan vergeldt uw Vader het in het openbaar.’ (Zie het overzicht hieronder.)

Jezus noemt het geven eerst: ‘wanneer u uw gerechtigheid geeft’ (NBG ’51 en NBV vertalen met ‘gerechtig­heid’; SV: ‘aalmoes’, HSV: ‘liefdegave’). Het woord tsedaka betekent oorspronkelijk ‘gerechtigheid’, maar is de term geworden voor ‘aalmoes’ (wat komt van het Griekse eleomosunè en ‘barmhartigheid’ betekent).

Bidden en vasten zijn bekend als ‘paar’. Het vasten is geen doel op zich, maar beoogt het gebed. Het gebed waar het dan om gaat, is intens, smekend, ootmoedig, vanuit een bijzondere nood of behoefte. God zal het horen en zien – als jij het niet doet om door de mensen gezien en gehoord te worden. De waarschuwing voor uiterlijk vertoon is scherp. Niet voor niets…

De combinatie van de drie dingen is sprekend. Bekering (vasten) heeft betrekking op onze relatie met onszelf, gebed op onze relatie met God en gerechtig­heid (geven) op onze relatie met de ander. We kijken naar binnen, naar boven en om ons heen. ‘We moeten eerlijk zijn naar onszelf, nederig tegenover God en royaal voor onze naasten’, aldus rabbi Jonathan Sacks in zijn commentaar in The Koren Rosh Hashana Mahzor, pag. 571. Daar schrijft hij over charity (pag. 573):

Onze wijzen leerden: er is verteld van koning Monabaz [koning van Adiabene, eerste eeuw, die zich bekeerde tot het Jodendom] dat hij in jaren van schaarsheid al zijn schatten en die van zijn voorouders besteedde aan liefdadigheid. Zijn broers en andere familieleden verweten hem: ‘Je voorouders hebben schatten verzameld, steeds meer toevoegend aan die van hun voorouders, en nu verkwist jij alles!’ Hij zei: ‘Mijn voorouders verzamelden voor de wereld beneden, ik verzamelde voor de wereld boven. Zij verzamelden op een plaats waar anderen de overhand kunnen krijgen, ik verzamelde voor waar dat niet kan. Zij verzamelden iets wat geen vrucht brengt, maar ik verzamelde iets wat vrucht draagt. Zij verzamelden schatten bestaande uit geld, ik verzamelde schatten bestaande uit zielen.’ (Baba Batra 11a)

De rabbi van Kotzk zei: ‘Maak je druk om je eigen ziél en om het líchaam van de ander – en niet om je eigen lichaam en de ziel van een ander.’

De Joodse diplomaat en geleerde Don Isaac Abrabanel (1437-1508), kanselier van koning Ferdinand en koningin Isabelle van Castilië, kreeg van de koning de vraag hoeveel hij bezat. Hij noemde een bedrag. De koning zei: ‘Je bezit zeker meer dan dat!’ Abrabanel: ‘U vroeg wat ik bezit. Het eigendom dat ik heb, bezit ik niet. Uwe majesteit kan het me morgen afnemen. Op z’n best ben ik een tijdelijke beheerder. Het bedrag dat ik noemde, is wat ik weggaf als liefdadigheid. Dat kunt u noch enige andere aardse macht van mij afnemen.’ Wij bezitten wat we willen delen.

 

Om over na te denken
  • De hierboven vermelde, klein geschreven woorden ממון, קול, צום , die ik weergegeven heb met ‘vasten, roepen, geven’, hebben alle drie de getalswaarde 136. Daaraan is ontleend dat deze drie manieren om tot God te naderen equivalent zijn.
    Zou je inderdaad kunnen zeggen dat deze drie dingen dezelfde waarde hebben?
  • Tsedaka betekent in het Oude Testament ‘gerechtigheid’. Wat zegt het je dat in het Jodendom (ook in het Nieuwe Testament al) de aalmoes, de gift aan de arme, ‘gerechtigheid’ genoemd wordt?

 

Mattheüs 6:1-21

Zo weergegeven dat de parallellie in het ‘drieluik’ direct duidelijk is.

Wees op uw hoede dat u uw liefde­gave niet geeft in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden; anders hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
Wanneer u dan een liefdegave geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door de mensen geëerd zouden worden. En wanneer u bidt, zult u niet zijn als de huichelaars; want die zijn er zeer op gesteld om in de synagogen en op de hoeken van de straten te staan bidden om door de mensen gezien te worden. 16 En wanneer u vast, toon dan geen droevig gezicht, zoals de huichelaars. Zij vervormen namelijk hun gezicht, zodat zij door de mensen gezien worden als zij vasten.
Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al. Voorwaar, Ik zeg u dat zij hun loon al hebben. Voorwaar, Ik zeg u dat zij hun loon al hebben.
Maar als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechter­hand doet, zodat uw liefdegave in het verborgene zal zijn; Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; 17 Maar u, als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, 18 zodat het door de mensen niet gezien wordt als u vast, maar door uw Vader, Die in het verborgene is;
en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden. en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden. en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
Als u bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden.Word dan aan hen niet gelijk, want uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u tot Hem bidt. Bidt u dan zo:

Onze Vader, Die in de hemelen zijt.
Uw Naam worde geheiligd.
10 Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde.
11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
12 En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.
13 En leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de boze.
Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid,
tot in eeuwigheid. Amen.

14 Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven. 15 Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven.

19 Verzamel geen schatten voor u op de aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar dieven inbreken en stelen;
20 maar verzamel schatten voor u in de hemel, waar geen mot of roest ze verderft, en waar dieven niet inbreken of stelen;
21 want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.