Vandaag, 6 oktober = 16 tisjri
Soekot
 2

Het is nu de tweede dag van het Loofhuttenfeest. Die is niet als een sabbat. Wel hebben veel mensen vrij, in elk geval de scholen. Bij Soekot hoort nog iets bijzonders: de loelav (palmtakbundel). Je ziet in Israël mensen naar de synagoge gaan met een loelav bij zich, doorgaans in een speciale hoes, om beschadiging te voorkomen. Met de loelav worden bepaalde bewegingen gemaakt bij het gebed, met name tijdens het Hallel.

  • De loelav
  • Het Hallel
  • Twee vragen om over na te denken
  • Extra: Hosanna en Hosjanot

De loelav

Nog vóór het gebod om te wonen in een loofhut, staat een andere bepaling in Leviticus 23:

40 Op de eerste dag moet u voor uzelf vruchten van sierlijke bomen, takken van palmbomen, takken van loofbomen en van beekwilgen nemen, en u moet zich zeven dagen lang voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden.

Dat gebod wordt opgevolgd met een loelav: een bundel met ‘de vier soorten’, die eruitziet zoals je hiernaast ziet. Een loelav bestaat uit:

  • een palmtak, loelav (daarnaar wordt ook de hele bundel loelav genoemd)
  • twee takjes van een beekwilg, aravot
  • drie takjes van een mirte, hadasiem
  • een geurige citrusvrucht, de etrog (er is gezegd dat je bij de letters van ETRoG kunt denken aan Emoena (geloof/trouw), Tesjoeva (bekering), Refoe’a (genezing) en Ge’oela (verlossing).

Aan de vier soorten zijn verschillende gedachten verbonden. Bijvoorbeeld:

    • De etrog heeft smaak en geur: zo zijn er in het Joodse volk mensen met kennis van de Tora én met goede daden.
    • De palmtak heeft smaak maar geen geur: zo zijn er mensen met kennis van de Tora die het geleerde niet in praktijk brengen.
    • De mirte heeft geur maar geen smaak: zo zijn er mensen met goede daden, maar zonder kennis van de Tora.
    • De wilgentak heeft smaak noch geur: zo zijn er mensen die geen kennis van de Tora én geen goede daden hebben.

De Eeuwige zegt: ‘Neemt hen allen samen tot één bundel, vormt een eenheid; de één zal voor de ander verzoening voor Mij doen.’

Een andere gedachte bij het bidden met de loelav: Bid met al wat je hebt en bent. Als je naar de vorm kijkt, kun je deze verbindingen maken:

  • palmtak > ruggengraat (lang, recht)
  • mirtetak > ogen (naar de vorm van de blaadjes)
  • beekwilg > mond (idem)
  • etrog > hart

Het Hallel

De loelav speelt een rol bij het zeggen van het Hallel. Dat bestaat uit Psalm 113 tot en met 118, als eenheid gereciteerd. Dat gebeurt ook op de andere opgangsfeesten, Pesach en Sjavoe’ot (het Wekenfeest, Pinksteren), maar op Soekot krijgt het extra nadruk doordat het op alle dagen van dit feest gebeden wordt, en dan telkens (behalve op sabbat) met de loelav in de hand. Op bepaalde momenten wordt die bewogen: naar het oosten (= naar voren), zuiden, westen en noorden, en naar boven en naar beneden, en tussendoor telkens naar het eigen hart.

Dat gebeurt eerst een keer als opzichzelfstaande handeling.

Daarna weer bij bepaalde woorden uit Psalm 118: “Loof de HEERE want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (vers 1 en 29), “Laat Israël toch zeggen: Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (vers 2), “Och HEERE, breng toch heil” (vers 25).

 

Om over na te denken
  • Het kan bij ons vreemd overkomen dat Joden bidden met een boek in de hand, met verschil­lende bewegingen, en zelfs met een loelav. Zoals het aan de andere kant vreemd kan over­komen dat christenen de handen vouwen en ogen sluiten tijdens het bidden; waar in de Bijbel vind je dat? Welke houdingen en handelingen bij het gebed vind je in de Bijbel? Zou jij ook met open ogen, of met gebogen knieën, of met opgeheven handen – of met iets speciaals in je handen – kunnen bidden? Misschien beter? Of juist niet?
  • Hierboven vind je twee verschillende uitleggingen van waar ‘de vier soorten’ voor zouden kunnen staan. Wat zou de specifieke beweging met de loelav kunnen betekenen?

 

Hosanna!

Hierboven vertelde ik dat onder andere bij Psalm 118:25 de loelav wordt bewogen, bij Hosjíe’a na, dat wij wel kennen in de vergriekste vorm: HosannaHosjíe’a na betekent ‘breng toch heil’, of ‘verlos toch!’ Van dezelfde stam komt de naam Jezus, Jesjoea = Heiland, Verlosser. Merk op dat Hosanna dus eigenlijk een gebed is, om hulp, verlossing en heil. Het is oorspronkelijk niet een parallel van Hallelu­ja. Zo wordt het wel vaak gebruikt. Ogen­schijnlijk al in het Nieuwe Testament: het klonk toen Jezus op een ezel Jeruzalem binnenging, begeleid door enthousiaste mensen, die met palm­takken zwaaien (Joh. 12:13).

De menigte die vooropliep en die volgde, riep:
Hosanna, de Zoon van David!
Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere!
Hosanna, in de hoogste hemelen! (Mat. 21:9)

Hier hoor je bij het Hosanna ook de woorden die er in Psalm 118 vlakbij staan: ‘Gezegend hij die komt in de naam van de HERE!’ En dan met die palmtakken erbij… Het lijkt al een beetje Loofhuttenfeest – met de vreugde die daarbij hoort. Met dat tafereel voor ogen is het niet vreemd dat ‘Hosanna’ als een lofprijzing is gaan klinken. God vol verwachting om hulp en heil vragen, kan ook een manier van loven zijn, maar dan toch wel met een eigen klank en kleur. ‘Hosanna’ is meer dan ‘Halleluja’.

Hosjanot

Tijdens het Loofhuttenfeest is er elke dag (behalve op sabbat) een bijzonder onderdeel in de liturgie dat de naam Hosjana heeft gekregen: men loopt, met de loelav in handen, een keer rond de bima (de tafel waarop de Torarol gelegd wordt). Ondertussen wordt dan onder andere het Hosjie’a na gezegd. Dit gebruik zou teruggaan op de tijd van de tempel; toen zou men zo ronden om het altaar heen hebben gelopen.

Op de laatste dag van Soekot maakt men de ronde zeven keer. Die dag heet Hosjana Raba, ‘groot Hosjana’, vanwege die zeven hosjanot. We komen daar op 11 oktober nog op terug.