Vandaag, 8 oktober = 18 tisjri
Soekot
 4

Vandaag is de vierde dag van Soekot. We zagen al dat het bij dit feest een nadrukkelijk gebod is dat je je zult verheugen. Daar gaan we vandaag nader op in.

  • Je moet blij zijn…
  • Vreugde als kracht
  • Twee vragen om over na te denken
  • Extra: Rabbi Sacks over vreugde

Je moet blij zijn…

Op het Loofhuttenfeest moet je blij zijn. We zagen al dat dat een nadrukkelijk gebod is: ‘Verblijd u op uw feest’ (Deut. 16:14). ‘U moet zich zeven dagen lang voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden (Lev. 23:40). Maar hoe kan dat? Blij-zijn op commando, dat werkt toch niet? Een gevóél kun je toch niet dicteren? En blíj-zijn al helemaal niet! En dat dan dágenlang!

Toch staat het er. Maar niet zomaar, los en loos. Nee, met redenen en regels die je blij kunnen maken.

  • In Deuteronomium 16:15 volgt nog eens het gebod, maar nu met een reden erbij: ‘Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn.’ De zegen van de HERE in gewas en arbeid, die maakt blij.
  • In vers 14 vinden we overigens ook nog een paar belangrijke dingen:
    • ‘u, uw zoon en uw dochter…’ – in je eentje blij gaan zitten zijn, dat werkt niet zo. Maar sámen met je dierbaren, dat helpt! In het Jodendom is het ‘samen’, het collectieve element, sterk ontwikkeld. Is het voor ons niet net zo belangrijk – wellicht nog meer dan we denken?
    • ‘… uw slaaf en uw slavin, en de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn’ – dus niet alleen je eigen kringetje, maar in wijde gastvrijheid. Bij de genoemde groepen zie je status en rang wegvallen, en een helpen en dienen van kwetsbare groepen. Leven voor jezelf is najagen van wind, maar er zijn voor anderen en hén blij maken, daar kun je zelf ook heel blij van worden. Het is zaliger te geven dan te ontvangen.
  • We zagen al dat het wonen in een loofhut niet echt een reden tot vreugde lijkt, maar dat je er toch echt blij van kunt worden. Met een open dak – onder een open hemel. Je ervaart je afhankelijkheid, maar dat wordt positief als je weet van wie je afhankelijk bent en als je terechtkomt bij degene bij wie je echt kunt schuilen.
  • Hoor nog eens: ‘U moet zich zeven dagen lang voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden’ (Lev. 23:40). Zijn (aan)gezicht is zijn persoonlijke aanwezigheid – met ogen, oren, mond. ‘Gods vriend’lijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht voor all’ oprechte harten…’ (Ps. 97:7, berijming 1773). En denk ook nog eens aan Psalm 4: ‘Verhef over ons het licht van Uw aangezicht, HEERE! U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden. In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.’

Vreugde als kracht

In Nehemia 8 lezen we over een bijzonder Loofhuttenfeest, dat blij gevierd moet worden.

Na terugkeer uit de ballingschap is men bezig Jeruzalem te herbouwen. Op de eerste dag van de zevende maand (tisjri dus) komt heel het volk samen bij de Waterpoort. Ezra leest de Tora. De woorden maken diepe indruk. Mensen huilen. Maar Nehemia zegt:

10 Deze dag is heilig voor de HEERE uw God. Rouw dan niet en huil niet. Heel het volk huilde namelijk toen ze de woorden van de wet hoorden. 11 Verder zei hij tegen hen: Ga, eet lekkernijen en drink zoete dranken. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht.’

Dan komt het Loofhuttenfeest:

15 Zij vonden in de wet geschreven dat de HEERE door de dienst van Mozes had geboden dat de Israëlieten in loofhutten zouden wonen tijdens het feest in de zevende maand, 16 en dat zij het overal zouden doen horen en een boodschap zouden laten gaan door al hun steden en in Jeruzalem, en zouden zeggen: Ga naar buiten, naar de bergen en breng loof van de olijfboom, loof van de olijfwilg, loof van de mirte, loof van de palmboom, en loof van andere dicht bebladerde bomen, om loofhutten te maken overeenkomstig wat voorgeschreven is. 17 Toen ging het volk eropuit en ze haalden loof en ze maakten loofhutten voor zichzelf, ieder op zijn dak, en in hun voorhoven en in de voorhoven van het huis van God, en op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraïmpoort. 18 De hele gemeente van hen die uit de gevangenschap waren terug­gekeerd, maakte loofhutten en woonde in die loofhutten, want zo hadden de Israëlieten niet meer gedaan vanaf de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag. Er was zeer grote blijdschap. 19 En men las dag aan dag voor uit het boek met de wet van God, vanaf de eerste dag tot de laatste dag, en ze vierden zeven dagen feest. En op de achtste dag was er een bijzondere samenkomst, volgens de bepaling.

Om over na te denken
  • Wat valt je op bij de manier waarop het volk tijdens Nehemia het Loofhuttenfeest vierde?
  • Waaraan denk jij bij de woorden ‘de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht’? Of: ‘de vreugde in de HERE, die is uw toevlucht’ (NBG ’51). NBV: ‘de vreugde die de HEER u geeft, is uw kracht’.

 

Over vreugde

Ik verwijs graag naar wat rabbi Jonathan Sacks zegt over simcha, vreugde, in: rabbisacks.org/the-pursuit-of-joy-ki-tavo-5775. Hieronder de vertaling van delen daaruit.

Simcha gaat in de Tora nooit over individuen. Het is altijd iets wat we delen. (…) Je moet je offers in het centrale heiligdom brengen: ‘En daar moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, eten en u verblijden, u en uw gezinnen, over alles wat u ter hand genomen hebt en waarin de HEERE, uw God, u gezegend heeft (Deut. 12:7). De feesten worden in Deuteronomium beschreven als dagen van vreugde, juist omdat het momenten van collectieve viering zijn: ‘En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw midden zijn’ (Deut. 16:11). Simcha is gedeelde vreugde. Niet iets wat we in eenzaamheid beleven. (…)

Prediker vindt uiteindelijk de zin van het leven in vreugde – omdat vreugde niet leeft in gedachten over morgen, maar in dankbare aanvaarding en viering van vandaag. We zijn hier, we leven; we zijn onder anderen en delen een juichstemming. We leven in Gods land, genieten zijn zegen, eten de opbrengst van zijn aarde, gedrenkt door zijn regen, vruchtbaar onder zijn zon; we ademen de lucht die Hij ons inblies, leven het leven dat Hij dag aan dag vernieuwt. En ja, we weten niet wat de dag van morgen zal brengen, en ja, we zijn omringd door vijanden, en ja, het was nooit een veilige optie om Jood te zijn. Maar wanneer we focussen op het moment en onszelf toestaan te dansen, te zingen en te danken; wanneer we dingen doen om die dingen zelf, niet om een of andere beloning; wanneer we onze afzondering verlaten en een stem in het koor van de heilige stad worden – dan is er vreugde.

Kierkegaard schreef: ‘Het vergt morele moed om te treuren; het vergt religieuze moed om zich te verheugen.’ Het is een van de meest fascinerende feiten over het Jodendom en het Joodse volk dat onze geschiedenis is doortrokken van tragedie, maar dat toch Joden nooit de kunst van het zich verheugen zijn kwijtgeraakt, en van vrolijk vieren, zelfs in diepe duisternis, en van het zingen van het lied van de Heer, zelfs in een vreemd land. Er zijn oosterse religies die innerlijke vrede beloven als we ons oefenen in aanvaarding. Epicurus leerde zijn discipelen het mijden van risico’s, zoals het huwelijk of een carrière. Deze benaderingen hoeven niet genegeerd te worden, maar het Jodendom is niet een religie van aanvaarding, noch hadden Joden ooit de neiging een risicovrij leven te zoeken. We kunnen de mislukkingen en nederlagen overleven als we maar nooit de kunst van het zich verheugen kwijt­raken. Op Soekot verlaten we de veiligheid en het comfort van onze huizen en leven we in een hut, blootgesteld aan wind, kou en regen. Maar we noemen het zman simchatenoe, de tijd van onze vreugde. Dat is een niet gering deel van wat het is Jood te zijn. (…)

Tegen het einde van zijn leven, terwijl hij al meer dan twintig jaar doof was, componeerde Beethoven een van de grootste muziekstukken ooit geschreven, zijn Negende Symfonie. Intuïtief voelde hij aan dat dit stuk het geluid van menselijke stemmen nodig had. Het werd de eerste koorsymfonie. De woorden die hij op muziek zette, waren die van Schillers ‘Ode aan de vreugde’. Ik zie het Jodendom als een ode aan de vreugde. Zoals Beethoven hebben ook de Joden lijden, isolatie, ontberingen en af­wijzing ervaren, maar het ontbrak hun nooit aan de religieuze moed om zich te verheugen. Een volk dat onzekerheid kent en toch vreugde kan voelen, zal niet worden verslagen, want zijn geest kan nooit worden verwoest, en zijn hoop kan niet worden vernietigd.