Vandaag, 9 oktober = 19 tisjri
Soekot
 5

Vandaag is de vijfde dag van het Loofhuttenfeest. We gaan het hebben over gastvrijheid. Dat hoort wezenlijk bij Soekot.

  • Gasten in de soeka
  • Oesjpizien
  • Twee vragen om over na te denken
  • Extra: Hoe rabbi Pinchas een gastvrij man werd

Gasten in de loofhut

De soeka heeft niet alleen een open dak, maar ook een open deur. Niet per se letterlijk: je kunt de deur­opening afsluiten, of via je huis in de soeka moeten komen. Maar in figuurlijke zin is de deur van de soekasteeds open. De gastvrijheid is in de Joodse wereld sowieso groot, maar dat geldt nog meer tijdens Soekot. Mensen bezoeken elkaar in de soeka, om te kijken hoe anderen de hunne gemaakt en versierd hebben. En om sámen blij te zijn; gedeelde vreugde is immers dubbele vreugde. We zagen dat gisteren al. Niet voor niets luidt het gebod:

Verblijd u op uw feest,
u, uw zoon en uw dochter,
uw slaaf en uw slavin,
en de Leviet, de vreemdeling,
de wees en de weduwe
die binnen uw poorten zijn. (Deut. 16:14)

Het gaat dus niet alleen om de eigen kring. Ook anderen moet je in je vreugde laten delen, en wel in het bijzonder de zwakkere groepen in de samenleving. Maimonides schreef:

Als iemand eet en drinkt, moet hij ook de vreemdeling, wees en weduwe en andere armen te eten geven. Wie de deuren van zijn erf sluit en alleen met zijn vrouw en kinderen eet en drinkt en niet de arme te eten geeft, heeft niet de vreugde van het gebod, maar de vreugde van zijn buik…

Oesjpizien

Er is op Soekot echter ook nog sprake van heel andere gasten. Op de achtereenvolgende dagen zijn dat Abraham, Izak, Jakob, Mozes, Aäron, Jozef en David. Zij zijn de oesjpizien – het Aramese woord voor ‘gasten’, dat nu alleen nog voor deze bijzondere Soekot-gasten wordt gebruikt.


Misschien ken je het woord doordat het de titel is van een film (Ushpizin) die gaat over een Joods echt­paar dat tijdens Soekot bijzondere dingen doormaakt met hun vreemde gasten. Stukjes uit de film kun je zien op YouTube: www.youtube.com/watch?v=l7DhMcPvydI

De gedachte van de oesjpizien gaat terug op de kabbala (mystieke stroming, vanaf twaalfde eeuw). Het kan mystiek ingevuld worden, maar ook zo, dat elke dag een thema krijgt. De genoemde persoon is dan ‘aanwezig’ in gesprekken, en eventueel ook in bepaalde attributen: boeken, symbolen, afbeeldingen, of wat ook maar kan helpen om de ‘aanwezigheid’ te versterken. In een goede ontmoeting moet er ook een dvar Tora zijn, een woord over Gods Woord; de genoemde Bijbelse personen kunnen op de dagen van Soekot aanleiding en richting geven.

Hiernaast zie je een stukje van een tentzeil dat tegenwoordig nogal eens wordt gebruikt voor de ‘muren’ van de soeka; de zeven gasten zijn daarop terug te vinden. (Als je het Hebreeuws niet kunt lezen, kun je dan uit de plaatjes wijs worden om wie het gaat? Bedenk dat je van rechts naar links moet kijken.)

In sommige kringen kunnen ook oesjpizot een plaats krijgen: vrouwelijke Soekot-gasten als Sara, Rebekka, Rachel, Lea, Mirjam, Debora, Hanna, Abigaïl, Ester en Hulda.

Om over na te denken
  • Hebreeën 13:2 zegt: ‘Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak geboden.’ Welke voorbeelden daarvan vind je in de Bijbel?
  • De eerste van de oesjpizien, Abraham, wordt in de Joodse en christelijke traditie gezien als prototype als het gaat om gastvrijheid. Denk aan Genesis 18, waar we lezen hoe gastvrij hij drie mannen ontving. Wat kunnen wij op dit punt van Abraham leren? (voor een handreiking daarover, klik hier)

 

Hoe rabbi Pinchas een gastvrij man werd

Rabbi Pinchas van Koretz besteedde veel tijd aan het bestuderen van de Tora. Dat deed hij graag. Hij werd een groot geleerde. Aanvankelijk was hij onbekend en had hij alle tijd voor studie. Maar lang­zamerhand werd hij bekender. Er kwamen mensen naar hem toe met hun vragen en noden; ze vroegen zijn gebed en zegen. Hoe meer hij mensen hielp, des te meer kwamen er. Rabbi Pinchas kreeg het er moeilijk mee. Hij had het gevoel dat hij God niet goed diende, omdat hij te weinig aan het bestuderen van de Tora toekwam. Hij bad dat God hem minder populair zou maken. Dat gebeurde. Mensen gingen hem zelfs mijden. Hij vond dat best.

Toen de tien geduchte dagen voorbij waren, had hij maar een paar dagen om een soeka te bouwen. Dat was nooit een probleem geweest, er waren altijd wel een paar studenten van de jesjieva (Talmoed­school) of mensen uit de gemeente die de toen nog wel gewaardeerde rabbi wilden helpen. Nu kwam er niemand. Hij was zelf bepaald niet handig. Hij huurde een niet-Jood in, maar moest toch bij Joden zijn voor het goede gereedschap en materiaal. Uiteindelijk kreeg zijn vrouw nog wat gedaan. Nog net op tijd kwam de soeka klaar.

De vrouw van de rabbi stak de kaarsen aan. De rabbi zelf ging naar de synagoge. Die gewoonte was hij nog wel blijven aanhouden, om gemeenschappelijk te bidden. En voor nu hoopte hij een of twee mensen mee naar huis te kunnen nemen voor de maaltijd. Gasten horen er immers bij, dat is wezenlijk bij Soekot.

In die dagen was het bij Joden in Europa gebruikelijk dat degenen die uitgenodigd zouden willen worden na de dienst meteen achter in de synagoge gingen staan, zodat de gastheren hen bij het naar buiten gaan konden oppikken. Zo kon het gebod tot gastvrijheid makkelijk worden uitgevoerd. Iedereen kreeg wel iemand mee, behalve rabbi Pinchas.

Hij keerde verdrietig en een beetje geschokt alleen naar huis. Hij realiseerde zich dat hij misschien wel nooit meer een gast zou meekrijgen, als dat zelfs op Soekot niet lukte! En juist nu miste hij het wel. Maar ja, dat is de prijs voor de vrijheid, niet?

In zijn soeka begon rabbi Pinchas de traditionele uitnodiging van de oesjpizien te zingen. Die zouden hem toch wel komen opzoeken? Hij keek naar buiten en zag Abraham, maar die bleef buiten, op afstand. ‘Abraham, onze vader! Waarom komt u niet in mijn soeka?’ Abraham antwoordde: ‘Gastvrijheid was mijn specialiteit. Ik kom niet naar een tafel waar geen gasten zijn.’

Terneergeslagen veranderde de rabbi meteen zijn prioriteiten. Hij bad dat alles weer zou zijn als tevoren. Weer werd zijn gebed verhoord. De mensen kwamen weer naar hem toe met hun vragen en noden. Hij had niet langer alle tijd om de Tora te bestuderen en te bidden en te mediteren. Integendeel. Maar dankzij de bijzondere Soekot-gast was dat nu voor hem geen probleem meer.