Sinds december 2003 woon ik samen met mijn gezin in Jeruzalem. Namens het Centrum voor Israëlstudies probeer ik er contacten met de Joodse gemeenschap op te bouwen en in Neder­land de bezinning over de relatie tussen Jodendom en christendom een impuls te geven.

Leven in Jeruzalem is leven in een complexe en emotioneel geladen situatie. Dat merkten we al snel na aankomst en sindsdien hebben we allerlei dingen om ons heen zien gebeuren, die diepe indruk maakten. Zowel het gevaar van aanslagen en de angst daarvoor aan Israelische kant als de vele vormen van onrecht waaronder Palestijnen gebukt gaan werden ons duidelijk.

Als het om solidariteit gaat, dan denk ik in eerste instantie aan al die mensen die in dit kleine gebied gefrustreerd worden door de situatie. Wat kun je anders dan je solidair voelen met iemand die zich niet vrijelijk kan bewegen, met iemand die zich niet veilig voelt, met mensen die voortdurend aanlopen tegen uitzichtsloosheid? Zeker als het om mensen gaat die zich in zulke moeilijke situaties niet alleen staande weten te houden maar zich zelfs met waardigheid en respect voor anderen weten in te zetten voor een ander leven. Dat dwingt in elk geval mijn bewondering af. Ik denk dan vooral aan Palestijnse christenen die een moeilijke positie innemen tussen allerlei andere partijen en tegelijkertijd ook een bijzonder getuigenis geven van het Evangelie door in hun verzet tegen onrecht af te zien van elke vorm van geweld. Maar ook aan Joden die tegen de algemene opinie ingaan door contact te onderhouden met Palestijnen.

In het algemeen is er de laatste jaren meer en meer aandacht gekomen voor de Palestijnse stem en is de kritiek op Israël toegenomen. Dat is grotendeels begrijpelijk en in veel gevallen ook terecht. Het gevolg van die ontwikkeling is, dat de solidariteit met het lijden van Palestijnen niet meer ter discussie staat. De keerzijde daarvan is echter wel, dat het nu de uitdaging is om de solidariteit met Israël vast te houden en invulling te geven!

Father McGarry van het oecumenische instituut Tantur, dat veel contacten heeft met beide partijen, vertelde eens dat veel bezoekers van Tantur grote sympathie hebben voor Israël. Vervolgens ontdekken ze hoe onrechtvaardig de situatie van de Palestijnen is. Daarvan onder de indruk vertrekken ze naar huis, maar nu met sympathie voor de Palestijnen en uitsluitend negatieve gevoelens tegenover Israël. McGarry vroeg zich openlijk af of dit is wat we willen.

De ‘onopgeefbare verbondenheid’ met het Joodse volk staat openlijk ter discussie en dat vind ik pijnlijk. Een gesprek over de betekenis van die verbondenheid komt nauwelijks op gang, naar mijn gevoel vooral doordat elk nadenken en spreken over Israël direct ondergeschikt gemaakt wordt aan steun voor deze of gene partij in het conflict.

Tijdens een bijeenkomst van een dialooggroep in Jeruzalem werd onlangs de vraag op tafel gelegd waarom tijdens Joods Nieuwjaar in de synagoge Genesis 21 en 22 worden gelezen, de pijnlijke geschiedenissen van de wegzending van Hagar en Ismaël en het offer van Isaäk. Verschillende antwoorden werden gegeven. Een daarvan was, dat de verhalen duidelijk maken dat de ware geschiedenis van de mensheid niet wordt geschreven door koningen of door oorlogen, maar door ouders en kinderen, door mannen en vrouwen, die het geloof doorgeven aan de volgende generatie. De vraag bleef echter staan, waarom nu juist tijdens een Joods feest en in een traditie die de verkiezing van Isaäk centraal stelt gelezen wordt over Ismaël. Volgens een van de deelnemer was de reden, dat de traditie nooit heeft vergeten dat ook Ismaël een zoon van Abraham was en de belofte van zegen had gekregen. Een belangrijke boodschap voor deze tijd.

Zo’n gesprek lijkt veraf te staan van de rauwe werkelijkheid. Toch geloof ik in de kracht van ontmoetingen waarin verder wordt gekeken dan de eigen wereld en het eigen belang. Solidair zijn met mensen in deze moeilijke situatie is voor mij luisteren naar hun verhalen, naar hun moeiten, hun strijd en hun geloof.

Een van de lessen die ik wel heb geleerd in de afgelopen jaren is, dat in complexe kwesties enerzijds emoties niet mogen worden genegeerd, maar anderzijds ook niet de overhand mogen krijgen. In het gesprek tussen Joden en christenen mag de situatie van Israël en de Palestijnse gebieden niet ter zijde worden geschoven, maar mag dat het gesprek ook niet verlammen. De bezinning op de onderlinge relatie, de wens de ander te verstaan en de strijd tegen (kerkelijk) antisemitisme mogen niet gestopt worden, om maar enkele voorbeelden te geven.

Kees Jan Rodenburg
12 september 2007