De vraag die zich bij lezing van de Bergrede opdringt is om te beginnen een historische: vinden we in de Bergrede Jezus’ eigen zienswijze terug of die van zijn leerlingen? Of vinden we in de Bergrede de (polemische) zienswijze terug van de gemeente waaruit Mattheüs kwam, 50 jaren na Jezus?

Dit is van betekenis voor de achtergrond waartegen we de Bergrede hebben te interpreteren: is dat die van Jezus’ leven of die van de nieuwe Joodse setting waaruit Mattheüs kwam?

Ruzer kiest voor de eerste optie, omdat aan de Bergrede ontbreekt: 1. de Messiaanse dimensie en 2. de gedachte aan verzoening. Zijns inziens reflecteert de Bergrede een vroege fase van Jezus’ onderwijs. Hiervoor pleit ook dat het meeste van Mattheüs’ Bergrede ook terug te vinden is bij Marcus en Lucas. Dat materiaal is door Mattheüs samen­gebracht in en georganiseerd tot één concept waarop hij zelf als editor zijn eigen stempel heeft gezet. Samenvattend: de inhoud is van Jezus, de vorm van Mattheüs.

Wat was de strategie die Mattheüs hanteerde, in de context van de ‘Mattheüs-gemeenschap’ waarvan hij deel uitmaakte? Behoorde die gemeenschap nog wel of niet meer tot de Joodse wereld?

Volgens Ulrich Luz heeft de Mattheüs-gemeenschap de hoop voor de Joodse gemeen­schap opgegeven. Volgens anderen (Salderini?) neemt de Mattheüs-gemeen­schap een middenpositie in: de Joodse gemeenschap is losgelaten, ja, maar nog steeds worden er pogingen gedaan Joden voor de gemeenschap te winnen. Er is nog hoop!

Inderdaad wil de tekst van de Bergrede in het Mattheüs-evangelie zeker een brug slaan naar de Joden. Dat mag uit het volgende blijken:

  • 5:13 Goede werken staan centraal, het gaat om het handelen, het doen (zie ook de gelijkenis waarmee de Bergrede eindigt, 7:21,24) Mattheüs geeft hiermee te kennen dat de Mattheüs-gemeenschap niet à la Paulus de goede werken relativeert. Nee, wij zijn net als jullie (de Joden) en benadrukken juist de betekenis van goede werken!
  • 5:17vv De uitspraak over de jota en de tittel vindt een equivalent in de rabbijnse literatuur. Rabbi Aqiba pleit er voor om niet alleen de woorden van de Thora te interpreteren, maar ook de letters. We hebben in Mattheüs 5:18 het vroegste schriftelijke getuigenis voor ons van deze benaderingswijze, die pleit voor de meest strikte wets­betrachting. (Zie ook Flusser in reader p. 73/196, JMM) Hier is klaarblijkelijk sprake van een vertrouwde positie in het Jodendom van Jezus’ dagen.
  • 5:20 Opnieuw een verschil met Paulus. De dikaiosunè (te verstaan als daden van gerechtigheid) staat centraal. En de positie die wordt ingenomen t.o.v. de Farizeeën luidt niet: we moeten het heel ánders doen, nee, we moeten het nog béter doen dan de Farizeeën! Vgl. Matth. 23:2-3. Archeologische vondsten hebben uitgewezen dat Mozes’ stoel geen beeldspraak is maar een bestaand fenomeen. De Farizeeën zaten letterlijk op Mozes’ stoel en Jezus honoreert die positie. Zijn polemiek is gericht niet tegen de inhoud van het Farizeese onderricht, maar tegen de praktijk van de Farizeeën.
  • 5:17 Niet ontbinden maar vervullen… De uitdrukking die Jezus hier gebruikt is niet te betrekken op de geboden (alsof Hij die tot vervulling gaat brengen), maar op de interpretatie van de geboden. ‘To abolish the Torah’ means ‘to give a wrong interpretation of the Torah’. ‘To fulfil the Torah’ means ‘to give the most fruitful interpretation of the Torah’. Jezus positioneert zichzelf hier als iemand die het debat met de Farizeeën en schriftgeleerden aangaat over de interpretatie van de wet. Hij pretendeert daarvan de juiste interpretatie te geven. De woorden ‘maar Ik zeg u’ leiden dus niet een geheel andere benaderingswijze in, maar zijn bekend als een inleiding voor een eigen inter­pretatie binnen de kaders van de toenmalige rabbijnse discussies. (Vgl. ook Flusser in reader p. 73/197, JMM)
  • 5:21b ‘Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht.’ Dit wordt nergens in de Thorazo gezegd. Dat betekent, dat Jezus hier reageert met het aanhalen van deze zinsnede op een in zijn tijd niet onbekende interpretatie van de Thora. Hij keert zich tegen een juridisch gebruik van de Thora en pleit ervoor een omheining om de Thora te bouwen (5:22): Doe niets wat tot erger kan leiden! Het gaat in wat Hij zegt niet om een juridische consequentie van het leven in toorn tegen je broeder en het gebruik van woorden als leeghoofd en dwaas, maar hierom dat God het hart aanziet.
    De methode van redeneren die Jezus hier hanteert vinden we terug in rabbijnse bronnen die uit een beduidend latere tijd dateren. Hier zijn twee mogelijkheden: 1. Jezus heeft deze methode uitgevonden en het rabbijnse Jodendom heeft ’m overgenomen (uiterst onwaar­schijn­lijk); 2. Het vroege onderricht van Jezus is er een getuige van dat de rabbijnse methode van redeneren al in de eerste eeuw voorkwam.
    (Vraag: In Matth. 7:28 staat dat Jezus anders spreekt dan de toenmalige schriftgeleerden, en dat Hij hen als gezaghebbend leert. Hoe ziet u dat? Ruzer: we kunnen niet beoordelen of Jezus’ motivatie dezelfde was als die van de Farizeeën en schriftgeleerden, maar de syntaxis van zijn methode, de techniek daarvan is als die van de Farizeeën. Ook Hij bouwt a.h.w. een omheining om de Thora, om zijn hoorders te brengen tot een betere vervulling van de Thora.)
  • 5:43 ‘Gij zult uw naaste liefhebben…’ Ook hier keert Jezus zich niet tegen de Thora, maar tegen een interpretatie daarvan. Dat mag blijken uit de uit de Community Rule van Qumran. De zonen van het licht dient men lief te hebben, de zonen van de duisternis mag men verachten. De naaste wordt hier dus gedefinieerd als degene ‘die is als jij’! Vermoedelijk bestond deze interpretatie ook buiten de gemeenschap van Qumran. Maar Jezus leert (mogelijk spelend met de woorden re’a (naaste) en ra’a (kwaad)) ook om degenen die geheel anders zijn dan jij bent lief te hebben. Het is een bekende Farizeese regel om je naaste lief te hebben als jezelf. Jezus mengt zich in een discussie over de vraag wie die naaste is. Hoewel er geen vroege schriftelijke bevestigingen zijn van vergelijkbare uitspraken als die van Jezus, blijkt uit de teksten van Qumran dat men het begrip naaste bewust verengde. Daarmee kan verondersteld worden dat er ook een bredere interpretatie was. Inderdaad zien we meerdere pogingen tot uitbreiding van het begrip naaste. Jezus polemiseert in elk geval met zijn tijdgenoten in dezelfde syntaxis en op dezelfde manier van denken als waar zij in staan.

Samenvattend: Mattheüs zet hier Jezus in de Bergrede neer 1. als een rabbi en 2. als één die tot de experts onder de rabbi’s behoort!

Maar dit is niet het hele verhaal. Op basis van het bovenstaande zou je kunnen denken dat Mattheüs Jezus neerzet als een rabbi als alle anderen. En zou dat zo geweest zijn, dan zou Jezus deel van het rabbijnse Jodendom zijn gebleven en onder de rabbijnen mogelijk een hele grote zin geweest. Maar Mattheüs’ ‘overall-narrative’ is, dat Jezus de Messias is!

De 1e eeuw voor en na Chr. zinderde van allerlei Messiaanse verwachtingen. Drie typen Messias vallen te onderscheiden: de profetische, koninklijke en priesterlijke (dit omdat in de Tenachdeze drie ambtsdragers gezalfd worden). Ook in Qumran was vermoedelijk sprake van drie Messiaanse typen. Allerlei combinaties waren denkbaar.

Voor de evangelisten is duidelijk dat Jezus de Messias is. Maar wat voor één?

Mattheüs sluit om te beginnen aan bij Marcus, die Jezus als een profetisch Messias tekent. Hij gebruikt de dooptraditie van Marcus waarin Jezus als een profetische Messias wordt neergezet. (Terzijde: zowel Mattheüs als Lucas voegen eigen materiaal toe om het perspectief van Marcus te verbreden. Mattheüs zet Jezus neer als een afstammeling van David, een koninklijke Messias dus en Lucas tekent hem als een priesterlijke Messias.)

Het eerste dat er in het evangelie naar Mattheüs na de doop van Jezus gebeurt, is dat Hij de Geest ontvangt, die Hem de woestijn inleidt. En wat gebeurt daar? Er breekt een strijd om de ware interpretatie van de Thora los! De Heilige Geest leidt Jezus zodat Hij tot de ware interpretatie van het hoogste profetische gehalte komt.

De gedachte van een ‘door de Geest geleide interpretatie van de wet’ is bekend uit Qumran. In 1 QpHab II is dezelfde verschuiving in de opvatting van de profetie te zien. De door de Geest geleide profeet spreekt niet meer een direct woord: ‘zo spreekt de HERE’, maar interpreteert een eerdere profetie. Het werk van de Geest cirkelt dus om de ware interpretatie van de eerdere profetie. Habakuk zelf begreep het niet, het moest later door de Geest aan de Leraar der Gerechtigheid worden doorgegeven. Zo komen de woorden uit de mond van God. De Geest onderwijst de Leraar der Gerechtigheid wat de de vervulling is van al de woorden van de profeten (1QpHab II,2,8). Vervulling is ook hier weer: de juiste interpretatie.

In 4QFlor I,21 wordt enkele malen het OT geciteerd en vervolgens lezen we ‘This refers to’. Daarmee wordt de gezaghebbende verklaring ingeleid. Van bijzondere betekenis is de wijze waarop over ‘the branch of David’ gesproken wordt. Hiermee wordt volgens de uitleg de ‘Interpreter of the law’ bedoeld. De tendens die deze tekst zo krijgt luidt: Het Koninkrijk van David zal niet meer zijn als het was. De hut van David uit Am. 9:11 zal boven David staan. Er zal een ‘higher Boss’ komen en dat is de Interpreter of the law. Door deze wets­interpretatie wordt de belofte aan David vervuld.

Ten aanzien van het Damascus document geeft Ruzer kort aan dat dit hoogst belangwekkende teksten zijn waarin benadrukt wordt dat het horen en leven naar de Thora het een en al is voor de laatste generatie. Er zal geen corrupte priesterschap meer zijn, geen ijdele offers, de tempel zal afgedaan hebben.

Conclusie: 1. allerlei visies op Messianisme deden rond het begin van onze jaartelling de ronde en 2. deze zijn verbonden met allerlei herinterpretaties van de Thora, waarvan die in Qumran zowel het bewijs als een illustratie zijn. Kern en uitgangspunt van al die inter­pretaties is: ‘the Torah is forever!’

Wat is binnen deze context het eigene van Mattheüs?

Er is wel een spanning tussen de gangbare uitleg van de Thora en de uitleg zoals Jezus die geeft in het Mattheüs-evangelie, doch deze staat binnen de kaders van de toenmalige traditie. Er is géén sprake van ‘a dramatic departure of the Jewish interpretation of Scripture’. Jezus schaft de Thora niet af, Hij geeft géén nieuwe Thora; Hij geeft wel een nieuwe interpretatie van de Thora, waarbij Hij de syntaxis gebruikt, die de Farizeeën ook gebruiken.