Inleiding

Onze reis gaat vanaf de berg Sinai naar de Berg van de zaligsprekingen. Op beide bergen is iets bijzonders gebeurd. Het zijn plaatsen waar God zich heeft geopenbaard. Maar beide openbaringen hebben ook met elkaar te maken.

Dat zien we aan allerlei elementen uit Exodus 19-20 en Matteus 5-7. Zowel op de Sinai als in Galilea is sprake van een berg/heuvel, de aanwezigheid van het volk, Mozes/Jezus die de berg opgaat en onderricht geeft over de Thora.

 

Ondanks deze overeenkomsten is het verband vaak niet opgemerkt of moedwillig genegeerd door de kerk. Zo is het St. Catharinaklooster in de Sinai gebouwd op de plaats van de brandende braamstruik. Niet de Thora, maar Gods openbaring en roeping van Mozes worden er herdacht! Centraal in de kerk vinden we een mozaiek van de gebeurtenis op een andere berg, de berg Tabor. Een afbeelding van de transfiguratie toont Jezus als vervulling van zowel Mozes als de profeten. Van een doorgaande betekenis van de Thora is niets te zien.

Hetzelfde zien we in de Kerk van de zaligsprekingen. Deze herdenkt wel de afzonderlijke zaligsprekingen, maar niet het geheel van Jezus’ rede, waarin de Thora een centrale plaats innam.

 

Een nieuw katholiek centrum dat in dezelfde omgeving is gebouwd, Domus Galilaeae, benadrukt daarentegen juist het verband tussen Thora en Bergrede. Op grote stenen tafelen staan zowel de Tien geboden als de Zaligsprekingen geschreven. Een smalle poort laat zien dat een leven in gehoorzaamheid aan Gods Woord het gaan van een smalle weg is, die om nederigheid vraagt.

Willen we begrijpen wat de Heere Jezus zijn discipelen over de Thora onderwees, dan zullen we ons moeten verdiepen in de betekenis van de Thora in het Jodendom van Zijn tijd en in onze tijd.

Pesach, uitredding tot een leven met God

Een opmerkelijk detail uit het Exodus-verhaal zegt, dat het volk Israël pas in de derde maand bij de berg Sinai kwam (Ex. 19:1). De Joodse traditie vraagt zich af waarom dat zo is en geeft als antwoord, dat een mens wel gered kan zijn uit de slavernij, maar daarmee zijn slavenmentaliteit niet direct kwijt is. Wanneer Israël direct na de uitredding uit Egypte al de Thora had gekregen, dan had het dit niet anders kunnen zien als een nieuwe vorm van heerschappij, waaraan het onderdanig moest zijn.

De Joodse uitleg van Ex 6:5-7 maakt duidelijk dat ook in de mens zelf iets moet veranderen, wil hij in staat zijn Gods woord te ontvangen en op de juiste manier te verstaan:

5 Zeg derhalve tot de Israëlieten: Ik ben de Here, Ik zal u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware gerichten. 6 Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn, opdat gij weet, dat Ik, de Here, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid. 7 En Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb het aan Abraham, Isaäk en Jakob te zullen geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik de Here.

Hier lijkt verschillende keren hetzelfde gezegd te worden. De Joodse manier van Bijbeluitleg kan dat niet zomaar aanvaarden en zoekt naar een reden. In dit geval leidt dat tot de volgende interpretatie:

Israël wordt uitgeleid, gered, verlost en aangenomen; terwijl aanvankelijk Egypte en de slavernij nog naast deze werkwoorden worden genoemd, is dat daarna niet meer het geval. Israël moet, zo gezegd, het Egypte in zichzelf kwijt zien te raken. Dat gebeurt niet van de ene op de andere dag. Pas na een maand was het zover, dat het genoeg vrij is om de Thora te ontvangen. Het heeft echter veertig jaren nodig om niet meer terug te verlangen naar de slavernij en volledig klaar te zijn om het beloofde land in te gaan.

Thora is geen wet, maar richtingwijzer

De Thora die het volk ontvangt is geen wet in de gebruikelijke zin van het woord. De Joodse traditie spreekt, net als de Bijbel, van de tien woorden, de decaloog (Ex 34:28, Deut 4:13, 10:4). Vooral de eerste zin van Exodus 20 maakt dat duidelijk.

 

“En de Heer sprak al deze woorden: ‘Ik ben de Heer, die je uit Egypte, uit het diensthuis geleid heb” (Ex. 20:1).
Waarom werden de Tien Woorden niet al direct bij het begin van de Thora uitgesproken? Het antwoord op deze vraag kan het best worden gegeven door een gelijkenis:
Er kwam eens een man in een provincie en zei tot de inwoners: ‘Ik wil jullie koning zijn’. Toen antwoordden de inwoners: ‘Heb jij dan iets goeds gedaan, dat zou kunnen rechtvaardigen dat je onze koning wordt?’ Wat deed hij? Hij bouwde voor hen een muur. Hij legde voor hen een waterleiding aan. Ook voerde hij oorlogen voor en met hen. Toen sprak hij opnieuw: ‘Ik wil jullie koning zijn.’ Nu antwoordden de inwoners: ‘Ja, ja!’ (Mechilta Bachodesj 5)

Het leven naar de Thora is dus een reactie op datgene wat God heeft gedaan. De Tien Woorden kun je daarom zien als een soort contract:

“De tien woorden zijn niet alleen een verzameling regels. Integendeel, ze zijn de woorden van het verbond, een levende en persoonlijke aanspraak waarop een reactie wordt verwacht. Als de tafelen vergeleken kunnen worden met een huwelijkscontract, dan veronderstellen zij eveneens een levende en intieme relatie. Daarom horen we woorden die van hart tot hart gaan. Het ‘jij’ volgt op het ‘Ik’, van Hem die mijn bevrijder is.” (Larsson, 141)

Persoonlijke aanspraak

Daarnaast zijn er nog een paar elementen die de Tien Woorden kenmerken. Een daarvan is, dat de woorden tot ieder mens persoonlijk gericht zijn:

“Als je in het Hebreeuws een gemengde groep van mannen en vrouwen aanspreekt gebruik je het mannelijk meervoud. In de decaloog is alles gesteld in het mannelijk enkelvoud. Wie ontbreekt er? Het ontbreken van verwijzing naar een vrouw betekent nu juist gelijkheid tussen man en vrouw. Als je ervan uitgaat dat het gebod alleen de man betreft, dan is de conclusie van die gedachte absurd, namelijk dat de vrouw wel mag werken, maar ook mag moorden en mag echtbreken. In heel de decaloog is alles gesteld in mannelijk enkelvoud. Waarom dan niet de meervoudsvorm, want dan zou het op iedereen gericht zijn geweest? Nu is het op ieder persoonlijk gericht. Niemand kan denken dat de ander het gebod moet naleven en hijzelf die verantwoordelijkheid niet heeft.” (Jospe)

Hart, tong, handen

Een ander kenmerk van de Tien Woorden is, dat de regels zowel hart (geen andere goden, niet begeren), tong (Gods naam niet ijdel gebruiken, niet vals spreken), als handen betreffen (bij voorbeeld sjabbat houden, niet doodslaan, niet stelen) en daarmee dus heel de mens. Deze drie soorten geboden staan ook nog eens in een bepaalde volgorde en dat heeft betekenis:

“Onze houding tegenover onze Schepper moet eerst in ons hart zijn bepaald. Vandaar waaiert het uit naar ons spreken en ons handelen. Religieuse overtuigingen zijn niet voldoende, tenzij zij geconcretiseerd worden in woorden, daden en familierelaties.” (Leibowitz, 343)

“Goede daden en sociale rechtvaardigheid in het dagelijks leven zijn op zichzelf niet voldoende als zij niets meer betekenen dan strikte naleving van de wetten (…). De mens moet ook zijn spreken en zelfs de innerlijke gevoelens van zijn hart controleren.” (Leibowitz, 343)

Leven met de Thora

De gehoorzaamheid aan de Thora komt niet voort uit onderdanigheid, maar uit kracht en besef van verantwoordelijkheid. Israël wil leven naar de inzettingen die het van God heeft gekregen. Daarom is er in het Jodendom veel aandacht voor de manier waarop de regels van de Thoramoeten worden toegepast. Dat wordt halacha genoemd. Maar er zijn ook veel verhalen, wijsheden en vrije interpretaties van teksten, die ‘aggada’ worden genoemd. Die twee hangen nauw samen:

“Halacha geeft antwoord op vragen zoals ‘wat’, ‘wanneer’ en ‘hoe’. Tot de aggada behoort al het andere, zoals verhalen, spreuken, liederen, ethiek, verklaringen en redenen van de geboden. Als het om geboden gaat, dan voorziet de aggada in het antwoord op de vraag ‘waarom’.” (191)

“Vaak heeft een en hetzelfde gebod zowel een halachisch als een aggadisch aspect. (…) De voedselwetten betreffen specifieke etenswaren (halacha) maar zijn eveneens tekenen van het verbond, een herinnering aan de exodus, de gave van de Thora op de Sinai en de roeping om een heilig volk te zijn (aggada). (…) Een voorschrift heeft vaak zowel een legaal, minimaal aspect (halacha) als een ethisch, maximaal aspect (aggada).” (Larsson, 191)

“Welk aspect is belangrijker? (…) Een rabbijn vertelde altijd dat we ook wel kunnen vragen wat het meest belangijke deel van het lichaam is, de botten of de spieren, de bloedvaten of het bloed zelf. Zonder het een kan het ander ook niet functioneren. Het menselijke lichaam is een levend orgaan met hart, hersenen en ledematen. Het gehele lichaam behoort God toe. Daarom spreekt de Schrift de hele mens aan en wil gebruik maken van al haar delen – kennis en verstand, verlangens en gevoelens, stem en tong, handen en voeten. Gods woord wordt ontvangen door oren en ogen, wordt opgeslagen in de hersenen, spreekt tot het hart en wordt toegepast door de concrete daden van het lichaam.” (idem, 192)

De Thora wordt in de Joodse traditie de boom des levens genoemd, waarvoor Joden een enorme liefde hebben. Kinderen worden er van jongs af aan vertrouwd mee gemaakt. Onlangs maakte ik mee dat tijdens een morgendienst in de synogoge de kinderen in een bijruimte een eigen samenkomst hadden. Uit een kast werden speelgoed-thora-rollen gehaald en daarmee werden rondgangen gemaakt door de ruimte. Het gevoel dat Joden bij de Thora hebben, als iets dat nabij en vertrouwd is, wordt naar mijn idee beter gesymboliseerd door zo’n speelgoedrol, dan door de kostbare, perkamenten rollen die in de officiële diensten worden gebruikt!

Bergrede

In Matteus 5 lezen we dat Jezus zijn discipelen onderwees zoals Mozes voor Hem deed. In de Bergrede gaat het echter om interpretatie van een Thora die er al is.

 

17 Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 18 Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. 19 Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.

Jezus brengt geen nieuwe Thora, schaft de bestaande niet af en vervangt dus ook Mozes niet. We lezen en zien hoe Jezus zijn uitleg van verschillende geboden geeft en daarin soms aansluit bij betaande uitleggingen en soms met een radicaal nieuwe interpretatie komt.

Naastenliefde

Dat laatste gebeurt bij voorbeeld rond het voorschrift van de naastenliefde:

43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. 44Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, 45 opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen ook de heidenen niet hetzelfde? 48 Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.

De woorden ‘en uw vijand haten’ staan overigens niet in het Oude Testament. Dat is niet onbelangrijk. Het onderstreept dat de discussie niet over de Thora gaat, maar over de interpretatie daarvan.

Leviticus 19 18 Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Here.

Sommige tijdgenoten van Jezus legden het gebod zo uit dat je degene die als jou is, hij die dicht bij je staat, zou moeten liefhebben en anderen als je vijand zou moeten zien. Ruzer noemt dit de natuurlijke uitleg van mensen. Liefhebben doe je de leden van je eigen gemeenschap; anderen die niet zijn zoals jou mogen niet worden behandeld als behorend tot de gemeenschap, zij moeten gehaat worden. (Zo bij voorbeeld in de gemeenschapsregel van Qumran I QS I-V)

De Farizeeën probeerden de strekking van het gebod te vergroten door het ‘zoals jezelf’ te interpreteren als ‘want hij is als jezelf’. Hun interpretatie luidde daardoor: ‘je zult je naaste liefhebben, want hij is als jezelf’. Als je hem haat om zijn zonden, kijk dan in je eigen hart en je zult zien dat je niet anders bent dan hij. Je hebt geen reden hem te haten.

Jezus zegt dat alleen God onpartijdig kan zijn. Vijandsliefde kan alleen begrepen worden door heidenen, belastinginners en corrupte Joden. Jezus stelt dat dit de juiste Thora-interpretatie is tegenover de natuurlijke. Taalkundig worden de woorden voor naaste en kwaad in het Hebreeuws hetzelfde geschreven (re’ah respectievelijk ra’ah). Om de reikwijdte van de liefde te verbreden, gebruikt Jezus juist dit gegeven. Zo maakt hij tegelijkertijd duidelijk dat elke Jota geïnterpreteerd moet worden. Jezus handelt niet tegen de Thora, maar tegen de beperkte interpretatie van het gebod tot liefde. (Ruzer)

 

In zijn evangelie wil Matteüs aantonen dat Jezus de Zoon van God was en de beloofde Messias. Deze Messias legt de Thora op zo’n wijze uit dat iedereen voelt dat hier iemand met een hoger gezag spreekt. Op de soms radicale, eigen uitleg die Jezus geeft, regeren de scharen door versteld te staan.

Tussen de bergen

Deze korte opmerkingen over de Bergrede maken duidelijk, dat we als volgelingen van Jezus niet om de Thora heen kunnen. De kerk is altijd erg beducht geweest voor een wettische levenshouding. Tegelijkertijd heeft gehoorzaamheid aan Gods Woord altijd een belangrijke plaats gehad in het leven van christenen. In de reformatorische traditie is de functie van de ‘wet’ niet alleen te overtuigen van zonde, maar ook om aan te geven hoe we ons leven kunnen heiligen voor God.

Vanuit de Joodse kant bestaat een grote angst tegen elke vorm van geloof die vluchtig en subjectief is. Geloven is een heel concrete levenshouding, waar geloofsovertuigingen bij meespelen en in doorklinken. Daarvoor wordt eveneens het woord levensheiliging gebruikt.

 

Kennismaken met de Joodse omgang met de Thora kan onze ogen openen voor wat Joden en christenen met elkaar verbindt. Larsson is van mening dat we niet te snel en te makkelijk moeten denken dat christenen de Thora net zozeer als Joden hebben ontvangen:

“De belangrijkste reden waarom er zoveel verwarring is rond het houden van de ‘wet’ is zonder meer dat in christelijk onderricht christenen er eenvoudig en ondoordacht vanuit gingen dat zij de wet eens ontvangen hebben, omdat het het woord van God is. Als zij dan moeten uitleggen waarom zij de wet niet meer houden, dan vervallen ze tot de verkeerde uitleg dat Christus de wet heeft afgeschaft. Gewoonlijk wordt meer subtiel gezegd: Christus heeft de wet vervuld. (…) Als niet-Joden hebben we er geen rechtvaardiging voor nodig dat we de sjabbat niet houden of een van de andere geboden, die God exclusief aan het volk Israël heeft gegeven. Zoals Luther benadrukt: we zijn niet dat volk. We waren niet aanwezig bij Sinai. Het verbond met al zijn voorwaarden was niet gegeven aan alle volken, maar als een speciaal teken van het verbond met het Joodse volk.” (Larsson, 199)

Tegenover deze uitleg valt in te brengen, dat de Thora veel principiële zaken aan de orde stelt. Het gaat om bepaalde normen en waarden en een concrete wijze van leven. Niet alleen Joden, maar ook christenen worden daardoor aangesproken. Een interessante discussie in Handelingen 15 gaat over de vraag aan welke voorschriften de niet-Joden die tot geloof zijn gekomen, zich moeten houden. Dat zijn er een handvol. Maar tegelijkertijd wordt het volgende gezegd:

21 Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen.

Daaruit valt te concluderen, dat die paar regels die voor iedereen gelden, geen maximum vormen. Deze paar vormen het beginpunt:

Daarnaast kan Mozes worden gehoord op elke sjabbat in elke synagoge. Laat de Heilige Geest hen [niet-Joodse gelovigen] leiden. Laten we hen niet onder druk zetten. Het is verboden om niet-Joodse broeders te dwingen zich te bekeren of hen te vragen zich te gaan bekeren of de Joodse wetten te houden. Maar het is hen niet verboden dit alles te doen als de Heilige Geest dat ingeeft. We worden gered door geloof en genade en niet door het houden van de voorschriften. Jezus is de Redder voor allen. Het houden van de geboden door Joden is deel van hun identiteit in het verbond met God, maar dat is niet bedoeld voor heel de kerk. Jacobus verwijst naar de tabernakel van David die wordt hersteld voor heel de mensheid. Het is God die doet dat, niet wij. Laten we de heidenen dus niet teveel opleggen.” (Shulam)

Slot

Kennismaken met de Joodse wijze van leven met de Thora is nodig om meer te begrijpen van het Nieuwe Testament en van het Jodendom. Maar we kunnen er ook veel van leren, en de Joodse uitleg van de Thora is vaak inspirerend. In geen geval betekent dit dat we als christenen op gelijke wijze als het Joodse volk zouden moeten gaan leven met de Thora. Het kan wel onze diepe verbondenheid concreet maken en deze versterken. Daarnaast brengt het Joden en christenen ook in gesprek met elkaar. Van beide kanten zullen dan vragen gesteld worden aan de ander.

Uiteindelijk gaat het in dit alles om de heiliging van Gods naam.

Kees Jan Rodenburg