door Sara Yarden

Toen mijn aankomende man mij voor het eerst in Zweden op­zocht, merkte hij op dat het voor een Jood niet makkelijk is om te leven tussen al die heiligen en kloosters. Toendertijd studeerde ik aan de Lund Universiteit, die zich bevindt in een charmante middeleeuwse stad, compleet met een kathedraal, in het zuiden van Zweden. Hij doelde op namen van buurten, straten en bus­haltes, zoals Sankt Lars (Sint Laurens), Klostergården (Klooster­gaard), Allhelgonagatan (Alleheiligenstraat), Gråbrödrargatan (straat van de grijze broeders), Biskopshuset (Bisschopshuis) en Mårtenstorget (Sint Martinusplein) met zijn enorme kerstboom, die de donkere Scandinavische namiddagen van December ver­lichtte. Ik, die toen nog niet de Thoravoorschriften naleefde, had nog nooit een moment over deze namen nagedacht. Die ene op­merking opende mijn ogen ervoor dat wij Joden nergens in de wereld omringd zijn door onze eigen cultuur, hier gesymboliseerd door straatnamen. Nergens – behalve in Israel.

 

Nadat ik afstudeerde aan de universiteit en de rechtenopleiding, begon ik te werken als secretaris en junior-rechter. Ik begon ook de mitzwot (de Joodse voorschriften) na te leven en plotseling ervaarde ik dat het leven in het vredige, gelijkheidsgezinde en democratische Zweden niet altijd makkelijk is. Het ging inmiddels om veel meer dan straat­namen. In de winter moest ik het werk al na de middagpauze verlaten om voor zonsondergang en het begin van de Joodse Sabbat thuis te zijn. Onvermijdelijk ontstond daardoor een conflict met mijn werkgever. Wat moest er gebeuren als ook anderen vroeg naar huis wilden gaan? Het hebben van een totaal andere feestkalender schiep ook problemen. Voor mijn collega’s was het niet vanzelfsprekend dat 5 Oktober niet alleen 5 Oktober was, maar ook Grote Verzoendag en daardoor een dag waarop ik niet kon komen werken. Ik was bereid al deze ‘vreemde’ momenten vrijaf te compenseren door te werken op zondag, een dag die voor ons Joden geen rustdag is, maar dat was onmogelijk vanwege de overeenkomsten die waren gesloten met de vakbonden. Als ik zou zijn getrouwd terwijl ik nog in Zweden woonde en werkte, dan kan ik me voorstellen dat het niet eenvoudig zou zijn geweest om het rechtssysteem ervan te overtuigen dat een Joodse vrouw haar haar moet bedekken. Kort geleden moest ik ervoor vechten om de wegen­autoriteiten zover te krijgen dat ik een hoed over mijn haar mocht dragen op de foto voor mijn Zweedse rijbewijs.

 

Buiten mijn werkplek ontdekte ik, dat kosjer vlees twee keer zo duur was dan ander vlees en niet makkelijk te verkrijgen was. De reden is, dat sjchieta (Joodse slacht) in Zweden sinds de dertiger jaren verboden is uit zorg over dierenmishandeling. Volgens de Joodse wet is het niet toegestaan het dier te verdoven voor de keel wordt doorgesneden. Kosjer vlees moet daardoor worden geïmporteerd en dat maakt de prijs hoger.

 

Ik beschuldig de Zweden niet. Er is niets verkeerds aan, als een straat de naam Gråbrödrargatankrijgt als de meeste inwoners van de stad christenen zijn. De regels en wetten die mijn leven zo moeilijk maakten, zijn goed voor het Zweedse volk. Het is goed dat vakbonden sterk staan en een werkgever je niet kan dwingen op zondag te werken. Het is goed dat er bezorgdheid is over dieren. Deze ervaringen hielpen me begrijpen, dat er een staat nodig is waar zater­dag de rustdag is, waar de kippen in de supermarkt per definitie kosjer zijn (overigens is volgens de Joodse traditie sjchieta de meest barmhartige manier om een dier te slachten) en waar een vrouwelijke getrouwde rechter, onder­wijzeres, joga-docente of een taxichauffeur zelf kan kiezen of ze haar haar wil bedekken of niet. Waar de Joodse traditie zwaar weegt bij de afwegingen van alle noden in de staat. Israël heeft dit – en nog veel meer – bereikt in de 60 jaar dat het een staat is.

Ik kan dit artikel niet schrijven, zonder de slachtoffers van de Holocaust en andere uitingen van antisemitisme te noemen. Hun ervaringen met leven in niet-Joodse staten wijzen op de meest dringende functie van Israël: het fysieke voortbestaan van het Joodse volk waarborgen.

 

Ik denk dat je wel kunt zeggen dat mij ervaringen om naar de Thora te willen leven in Zweden me tot een zionist hebben gemaakt. Als ik het over zionisme heb, dan bedoel ik het idee van een Joodse staat waar de Joodse cultuur en Joodse godsdienst een overheersende rol spelen en Joden heersen over Joden. Zoals het Israëlische volkslied zegt ‘Om een vrij volk te zijn in ons land’. Na dit gezegd te hebben, wil ik benadrukken, dat ik ook geloof in een democratische staat, een staat voor al zijn inwoners, de Joden en de niet-Joden met wie we ons land delen. Onze Onafhankelijk­heids­verklaring van 1948 spreekt van een Joodse en democratische staat. Doordat ik ben opgegroeid in een staat die zowel Luthers/Zweeds als democratisch was, ben ik ervan overtuigd dat dit een bereikbaar doel is. Tegelijkertijd is het volgens mij ook op dit punt, dat we te maken hebben met de grootste uitdagingen voor de toekomst. Israël is een land met meerdere minderheden en hun rechten moeten worden beschermd. Andere gezichtspunten en verhalen dan die van het zionisme moeten uitgesproken worden. Hoe trots ik ook ben met onze Joodse regering, zo blij was ik toen de Druzische plaatsvervangende voorzitter van de Knesset eerder dit jaar voor een dag de uitvoerende president werd. Voor mij is het een teken van de volwassenwording en de democratie van de Joodse staat, dat we niet-Joodse ministers, rechters, officieren en politiemensen hebben.

 

Mijn kinderen groeien op in een staat waarin zij tot de meerderheid behoren. Het is makkelijk voor hen op een Joods wijze te leven. Veel dingen, die ouders in de Diaspora niet als vanzelfsprekend kunnen beschouwen, zoals Hebreeuws leren en leven met het jaarlijkse ritme van de Joodse feesten, krijgen we hier gratis en voor niets. Voor mij is dat echter niet genoeg. Ik wil hen ook leren de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. Mijn man en ik hebben er daar­om voor gekozen onze kinderen naar een tweetalige peuterspeelzaal te sturen, waar ze spelen met moslims en christe­nen, met Palestijnen en buitenlanders. Ze leren zowel Hebeeuws als Arabisch te spreken en begrijpen. De peuter­speel­zaal wordt georganiseerd door de YMCA en brengt de kinderen in aanraking met zowel de Joodse als de islamitische en christelijke feestdagen. Toen ik mijn zoon ging opgeven voor deze peuterspeelzaal, enkele dagen na Chanoeka, was het eerste dat mijn oog trof de grote kerstboom met glinsterende lichtjes, die in de hal stond. Ik glimlachte vanbinnen vanwege de ironie en de paradox en bedacht dat de cirkel nu rond was. Als ik in Zweden was gebleven, zou ik hen naar de enige Joodse school hebben gestuurd, om ervoor te zorgen dat ze andere Joodse kinderen zouden ontmoeten en de Joodse feesten zouden vieren. Maar hier in Jeruzalem kies ik een peuterspeelzaal met een kerstboom, zodat ze vrienden kunnen maken over etnische grenzen en taalbarrières heen. De kerstboom is niet langer het symbool van een meerderheidscultuur, die de mijne niet is, maar iets dat meervormigheid en diversiteit symboliseert. Nu we in ons eigen land zijn en omringd worden door het Jodendom, kunnen we het ons veroorloven en hebben we zelfs de opdracht om over anderen te leren.

 


Sara Yarden studeerde rechten aan de universiteit van Lund en immigreerde die jaar geleden vanuit Zweden naar Israel. Ze is orthodox en leeft met haar man en vier kinderen in de Naomistraat in de wijk Abu Tor in Jeruzalem, een wijk die bewoond wordt door Joden en Palestijnen. Sara is betrokken bij de dialoog tussen christenen, Joden en moslims.

Dit artikel is verschenen in ‘Contact’ (orgaan van de Bond van Chr. Geref. Vrouwenverenigingen), september 2007