Paulus’ verwachting en onze verantwoordelijkheid

Introductie

Wie zich bezint op de relatie tussen Israël en de kerk1, komt vroeg of laat bij Romeinen 11 uit, waar de apostel Paulus schrijft dat heel Israël behouden zal worden. Deze woor­den hebben tal van vragen opgeroepen. Er is zelfs een theorie op gebaseerd die bekend­staat als de twee-wegenleer. Volgens deze leer mogen Israël en de kerk ieder hun eigen weg gaan naar Gods koninkrijk. De christen hoeft niet tot God te komen via het joden­dom, de jood niet via het christen­dom. Het volk Israël staat van oudsher zo dicht bij de Vader, dat Jezus voor de joden niet nodig is als de weg naar God. Men gaat zijn eigen weg, een ‘Sonderweg’ voor Israël, De weg van geloven in Jezus Christus is bedoeld voor de niet-joden.2

De Stichting Christenen voor Israël stelt zich ten doel om christenen in Nederland en wereldwijd bewust te maken van de betekenis van het joodse volk in Gods handelen met deze wereld. Haar boodschap naar de kerken toe is dat er nog verschillende belangrijke beloften voor Israël in de nabije toekomst zullen worden vervuld.3 Dit zou ook moeten gelden voor Paulus’ uitspraak in de Romeinenbrief, dat heel Israël behouden zal worden. Wordt daarmee niet aan alle joden redding beloofd, gelovig of niet, omdat zij genetisch tot het uitverkoren volk van God behoren? Gods trouw is altijd groter dan het ongeloof, zeker bij Israël.

Toch waren het op de Pinksterdag in Jeruzalem juist joden, die gedoopt werden in de naam van Jezus de Messias. Zij gaven gehoor aan de oproep zich te laten redden uit deze verdorven generatie (Hnd. 2,40-41). De Redder van de wereld was ook voor het volk Israël gekomen. Er is geen andere weg tot de Vader dan die Jezus gewezen heeft toen Hij zei: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Joh. 14,6). Christus is de vervulling van Israël.

In dit artikel wil ik op basis hiervan verkennen wat de apostel Paulus heeft bedoeld toen hij schreef dat heel Israël behouden zal worden. Door enkele kernpunten van Romeinen 11,25-32 na te gaan, valt te ontdekken dat zijn woorden zowel heilshistorisch als missionair perspectief bieden.

1. Over Israël, niet tot Israël

Aan het slot van Romeinen 9-11, de beroemde hoofdstukken over de relatie tussen God en zijn verbondsvolk, worstelt de apostel Paulus met de vraag hoe de weigering van veel van zijn volksgenoten om Jezus te erkennen als de Messias van Israël zich verhoudt tot de trouw van God aan het volk van Abraham. Paulus spreekt bepaalde broeders en zusters uit de gemeente van Rome aan, die hij niet onkundig wil laten van een bepaald geheim. Deze aangesprokenen waren zelf niet van joodse afkomst. “Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen”(Rom. 11,13). Daarom wordt hier óver Israël gesproken, niet rechtstreeks tot Israël. In vers 28-32 vinden we dan ook de reeks zij-u-allen, waarbij degenen die met ‘u’ worden aangesproken blijkbaar van niet-joodse afkomst zijn, Het is opmerkelijk dat Paulus de belofte voor Israël als het ware een omweg laat maken, door juist gojim ermee te confronteren. Dit opmerkelijke gegeven heeft te maken met de aard van het geheim dat hij zo graag wil delen met de christelijke gemeente in Rome.

2. Het geheim van Paulus

Paulus maakt zijn lezers deelgenoot van een geheim. Een mustèrion is een verborgenheid die niet mysterieus blijft, maar onthuld wordt door Gods handelen in de geschiedenis. Het geheim is mededeelbaar en verwijst niet naar de eindfase van de geschiedenis.4 Toch blijft er altijd iets ondoorgrondelijks in, want het is een goddelijk heilsgeheim. Paulus hoeft dus geen nieuwe openbaring te hebben ontvangen5 of nieuw inzicht te heb­ben opgediept uit de Schrift.6 Het accent ligt hier niet op wat Paulus ontvangen heeft, maar op wat hij zijn lezers in Rome wil meedelen om eigen­wijsheid onder hen te voor­komen. Paulus heeft een bepaalde verborgenheid in gedachten (to mustèrion touto), te relateren aan het heilsgeheim dat de basis vormde van zijn apostolaat voor de volken. Daarover zegt hij in Efeziërs 3,6: “de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie.”7 Maar het handelen van God houdt toch niet op bij de heidenen? Daarom waarschuwt Paulus zijn lezers onder hen, dat ze niet eigenwijs mogen worden. In zijn geheim heeft de apostel een extra dimensie ontdekt: wat God doet bij de volken betekent óók nog iets voor Israël.

3a. Een verharding/verblinding is partieel over Israël gekomen

De gedachte aan een gedeeltelijke verharding of verblinding kwam al voor in vers 7b. Daar stelde Paulus het uitverkoren deel van Israël tegenover ‘de overigen’ die zich hebben verhard. “Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt; alleen zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam.” Ook dit hoort bij het handelen van God, aldus Paulus in vers 25 (gegonen). Wat is bedoeld met partieel? Dit kan worden opgevat als gedeeltelijk in temporele zin of als gedeeltelijk in kwantitatieve zin. Omdat Paulus apo merous verder nooit temporeel gebruikt en de gedachte van een partiële verharding goed aansluit bij vers 7, zullen we in dit geval aan een verharding van een gedeelte van Israël moeten denken.8 Als contrast komt even later ‘heel Israël’ ter sprake. Er bestaat een exegetische consensus over de gedachte dat Israël in vers 25a het volk aanduidt. Na de olijfboommetafoor uit de vorige perikoop is Paulus teruggekeerd tot zijn hoofdthema: het raadsel van zoveel ongeloof bij Israël, nota bene Gods uitverkoren volk.

3b. Totdat de volheid van de heidenen binnentreedt

In vers 12 ging het over de volheid (plèrooma) van Israël, maar er is ook een volheid van de heidenen (verg. Luc.21,24). Volheid is niet eschatologisch bedoeld, het volle getal van de uitverkorenen, zoals vaak beweerd wordt.9 Vooral in de Nederlandse traditie van exegese heeft men herhaaldelijk gewezen op het feit dat de term ‘volheid’ in vers 12 een inhoudelijk contrast vormt met ‘tekort’ (hèttèma).10 Met andere woorden, Israëls volheid wordt bereikt zodra de opgelopen achterstand is ingehaald. Zo gaat het ook in de volkenwereld.

Paulus schrijft dit met het einde van zijn apostolische missie in zicht. Hij kan die missie als voltooid beschouwen, wanneer alle volken het evangelie hebben gehoord – en die volken waren allemaal vertegenwoordigd in de wereldstad Rome (Rom. 15,19; 2 Tim. 4,17).11 Juist in zijn brief aan de Romeinen brengt Paulus zijn Spanjeplannen ter sprake. Die voorgenomen reis naar Spanje zal hem namelijk tot aan het eind van de wereld brengen. Aan de westerse horizon ziet hij vele heidenen zich bekeren. Zo ont­vouwde zich voor Paulus een missionair vergezicht in volle omvang.12

‘Toetreden’ (eiserchesthai) heeft hier geen object. Het binnentreden van de heidenen is dus niet hetzelfde als binnenkomen in de olijfboom Israël.13 De meeste uitleggers verwijzen naar een bekende uitdrukking uit de evangeliën, die echter verder niet in de brieven van Paulus voorkomt: ‘het koninkrijk/het leven binnengaan’.14 Wel was volgens het boek Handelingen de kern van zijn missionaire prediking, dat wij door veel verdrukkin­gen heen moeten om het koninkrijk van God te kunnen binnengaan (Hand. 14,22). De apostel ziet een wonder gebeuren: door Gods genade lopen heidenen hun achterstand ten opzichte van Israël in en treden massaal Gods rijk binnen.

3c. En dan zal heel Israël gered worden

Kern van de exegetische discussie zijn de Griekse woorden kai houtoos in vers 26. Het is echter de vraag of terecht zoveel waarde wordt gehecht aan de betekenis van deze woorden. Men moet hoe dan ook erkennen dat er iets van een voorwaarde in zit. De tekst maakt een tegenstelling tussen een deel van Israël en heel Israël. Een deel van Israël is verhard. Maar als voldaan is aan de voorwaarde van het binnentreden van de heidenen, zal heel Israël gered worden.

De betekenis van kai houtoos kan zijn: 1. temporeel15 (‘en daarna zal heel Israël gered worden’), 2. modaal16 (‘en op deze manier zal heel Israël gered worden’) of 3. een logische connectie17 (‘en evenzo zal heel Israël gered worden’). Tegenwoordig wint de temporele interpretatie terrein.18 Terecht, want een temporele strekking van kai houtoos is een aantoonbare ontwikkeling in het post-klassieke Grieks en op andere plaatsen bij Paulus evident.19 De apostel denkt ook hier wel degelijk langs een tijdslijn, aangezien ‘totdat’ (achri hou) eveneens een tijdsaanduiding was (vergelijk het ‘toen-nu’ schema in vers 30-31). Een meerderheid van de kerkvaders volgde duidelijk deze lijn van interpretatie, door het kai houtoos bijvoorbeeld te omschrijven met ‘dan’ of ‘daarna’.20 Het punt is dat Israël gered wordt, niet de vraag hoe.21 Bij vers 26a heeft De Nieuwe Bijbelvertaling dus een verantwoorde keus gedaan door als volgt te vertalen: “Dan zal heel Israël worden gered.”

De uitdrukking ‘heel Israël’ (pas Israel) is een hapax binnen het Nieuwe Testament, maar komt in de Septuagint voor als vertaling van kol Jisraeel (een hebraïsme, want eigenlijk zou dit vertaald moeten zijn met pas ho Israel). Wat betekent deze uitdrukking?

  • De nieuwtestamentische kerk; bestaande uit joden en heidenen.22 Echter, de naam Israël wordt in Romeinen 9-11 steeds in etnische zin gebruikt, dus voor het joodse volk. Er is wel een versmalling naar binnen toe mogelijk (Rom. 9,6: niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël), maar niet een verbreding naar buiten toe. En de veelbetekenende naam Jakob uit het direct volgende citaat moet wel verwijzen naar de twaalf stammen van Israël.
  • De gelovige rest van Israël, die het hele volk representeert.23 Maar dit zou wel een behoorlijke anti­climax in het betoog betekenen, nadat eerst zo hoopvol was gesproken over de volheid en de aanneming van Israël (Rom.9,11.15). Paulus’ vraagstelling betrof juist het lot van het volk dat zich had verhard (Rom.11,1). Heeft het ongehoorzame Israël nog wel toekomst? Het uitverkoren deel (eklogè, Rom. 11,7) is slechts Israël in nuce, het functioneert in Paulus’ gedachtegang niet namens maar tegenover de overigen die verhard waren.
  • Alle Israëlieten, hoofd voor hoofd.24 Maar pas Israel is niet hetzelfde als pantes hoi Israelitai. In hoofdstuk 9,3 zegt Paulus desnoods van Christus gescheiden te willen zijn: hij wil zich opofferen door de plaats van zijn volksgenoten in te nemen die inderdaad zonder Christus leven. Buiten de Messias van Israël om is er geen heil. In hoofdstuk 11 staat het contrast tussen ongeloof en geloof centraal; niet in het ongeloof volharden is een essentiële voorwaarde om weer opgenomen te worden (Rom. 11,23).
  • Israël als volksgeheel.25 Dit is vergelijkbaar met de volheid van Israël en de keerzijde van de volheid van de heidenen. Een veelgeciteerde uitspraak uit de joodse Misjna zegt: ‘Heel Israël heeft deel aan de komende wereld’ {Sanhedrin 10,1-4, onder verwijzing naar Jes. 60,21). Maar dan volgen meteen allerlei voorbeelden van mensen die vanwege hun zonden géén deel hebben aan de komende wereld. Israël is immers geen optelsom van individuele personen maar een collectief van twaalf stammen.26 Paulus zelf wist zich als jood na zijn bekering nog steeds geworteld in de stam Benjamin (Rom. 11,1b; Fil. 3,5). Het zijn de twaalf stammen van Israël die in de visioenen van het boek Openbaring terugkomen: eerst als het messiaanse leger van 144.000 strijders uit alle stammen van Israëls kinderen (Op. 7,1-9)27, later als de poortnamen van het nieuwe Jeruzalem dat alle stammen van Israëls kinderen her­bergt (Op. 21,12). Zo duidt heel Israël op het volks­geheel van de twaalf stammen.

4. Zoals geschreven staat

Voor zijn uitspraak over het behoud van Israël refereert Paulus in vers 26b-27 aan de Schrift. Allereerst Jesaja 59,20. Hoewel vrijwel alle commentaren de Verlosser uit Sion identificeren als de Messias, onder verwijzing naar I Tessalo­nicenzen 1,10, lijkt dat toch een te gemakke­lijke oplossing voor iets dat hier uitdrukkelijk wordt gepresenteerd als wat geschreven staat (kathoos gegraptai). Ten eerste is de oorspronkelijke context die van JHWH die zijn volk te hulp schiet als er niemand anders is om dat te doen; dreigend komt Hij op de vijanden af, als redder komt Hij Israël tegemoet.28 Ten tweede hebben alle andere citaten uit deze hoofdstukken God als subject. Dat geldt ook voor het aan­sluitende tweede citaat, een combinatie van Jeremia 31 en Jesaja 27: niemand anders dan JHWH is het die de zonden van zijn volk vergeeft. Ten derde zal de hele passage uitmonden in een lofprijzing op Gods ontferming (Rom. 11,33-36).

Voor Ridderbos is het daarom nog de vraag of Paulus het citaat van Jesaja 59 op de Messias heeft willen betrekken: “Sion is hier dan gedacht als de plaats, waar de Here woont en vanwaar ook de door Hem gezonden verlossing uitgaat. Ook als men aan­neemt, dat Paulus bij de Verlosser aan Christus denkt, behoeft men deze bijzondere oud­testamentische uitdrukking niet op de verschijning van Christus over te brengen.”29 Dit geldt temeer omdat Paulus de wederkomst nergens specifiek aan Sion verbindt, hoewel hij weet heeft van het hemelse Jeruzalem als de moederstad van alle christenen (Gal. 4,26). Bij herhaling maakt de apostel duidelijk dat Jezus Christus zal verschijnen ‘vanuit de hemel’ (Fil. 3,20; I Tes. 1,10; 4,16; 2 Tes. 1,7; verg. Kol. 3,4).30

Wat Paulus in Romeinen 11 in elk geval wil benadrukken is het heilshandelen van God ten gunste van zijn volk Israël. Sion is het middelpunt van Gods heilswerk, Vandaar dat er in de teksttraditie variatie mogelijk is tussen de lezingen ‘naar Sion’ (aldus de Masoretische tekst: letsioon) ‘vanwege Sion’ (aldus de Septuagint: heneken Sioon) en ‘vanuit Sion’ (aldus Paulus: ek Sioon), Omdat God hart heeft voor Sion, is Hij erop gericht, wordt Hij erdoor gemotiveerd, blijft het zijn uitgangspunt. Bedacht dient te worden dat de aanduiding Sion in de bijbel speciaal verwijst naar het geestelijke centrum van Jeruzalem. Het is de woonplaats die de Heilige had uitgekozen. Daarom slaat Sion de brug tussen het aardse en het hemelse Jeruzalem, de stad zonder tempel waar de Heilige voorgoed wil samenwonen met mensen. Wat doet de goddelijke Redder, als Hij speciaal Sion op het oog heeft? Goddeloosheden afwenden, het verbond vernieuwen, zonden wegnemen. Ziedaar Gods heilswerk in Jezus Christus, door de heilige Geest.

5. Heidenen en joden parallel

De symmetrische opbouw van vers 30-31 illustreert de parallel die Paulus ziet tussen de lezers (zoals eerder opgemerkt spreekt hij hier mensen van heidense afkomst aan) en het Joodse volk. Vroeger waren de heidenen ongelovig, nu hebben zij ontferming gevonden bij God. En dat kon vanwege het ongeloof van de joden die Jezus niet wilden erkennen als de Messias van Israël. Zo zijn deze joden nu op hun beurt ongelovig, maar zou God zich over zijn eigen volk niet ontfermen? Dat zou kunnen vanwege de aan niet-joden betoonde ont­ferming. Wat vooral opvalt is de goddelijke ontferming waarvan iedereen het moet hebben, zowel joden als niet-joden. Het is deze ontferming die het ongeloof opheft. Daarmee wordt heel het probleem waarmee Paulus worstelt uiteindelijk herleid tot Gods verkiezing, zoals al was aangeduid in vers 28-29. De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.

In de Nestle-Aland teksteditie staat het Griekse woordje nun tussen vierkante haken, omdat de externe en de interne overwegingen met betrekking tot deze lezing elkaar in evenwicht houden, waarbij de externe overwegingen duidelijk tegen de lezing met nun pleiten,31 Hiermee kan dus niet worden bewezen dat de bekering van Israël al in het heden zou geschieden, zoals sommigen willen,32 Hoe dan om te gaan met dat dubieuze woordje nun? Er zijn twee mogelijkheden. Of men leest het niet, omdat het niet tot de oorspronkelijke tekst behoort, zoals Holwerda heeft bepleit33, of men kan het opvatten als een verwijzing naar de toekomst: iets wat binnenkort zal gebeuren of een profetische wending die de toekomst als het ware het heden binnentrekt.34 Maar hoe dan ook, alles draait om Gods ontferming.

Hieronder wordt de parallel die de tekst trekt tussen de lezers die worden aangesproken (van heidense afkomst) enerzijds en de joden anderzijds in beeld gebracht, waarbij het NU de actuele stand van zaken beschrijft:

Vers 30

U (=heidenen)

Eens

Ongelovig

NU

Ontferming

Door hun ongeloof

Vers 31

Zij (=joden)

NU

Ongelovig

nun

Ontferming

Door de u betoonde ontferming

6. Gods ontferming over allen

In het afsluitende vers 32 kan ‘allen’ (pantas) in verband met Gods barmhartigheid niets anders betekenen dan: ‘ontferming over allen, namelijk zowel joden als heidenen’. En zo­doende eindigt deze passage met de hoopgevende ontferming van de God van Israël over iedereen die zijn of haar heil bij Jezus Christus zoekt: “Want God heeft ieder mens uit­geleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn.”

Het geheim dat Paulus wilde delen met zijn niet-joodse lezers in Rome is dat God zijn volk niet heeft verstoten. Men zou met Ridderbos kunnen spreken van een wissel­werking tussen joden en niet-joden35, of zoals Matter het uitdrukte: een golfbeweging van het heil, “Israëls betreurde val doet iets aan de heidenen; in hun bekering klopt de verworpen genade weer met grote en overwinnende kracht aan Israëls deur. Er is geen primaat: God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten om zich over hen allen te ontfermen. Maar er is wel een zinvolle geschiedenis van het heil.” Wat Paulus nog als mogelijkheid zag in vers 11-15, blijkt nu werkelijkheid te zijn, aldus Matter.36 Psalm 90 geldt werkelijk voor alle gelovigen: Geslachten zullen gaan, geslachten zullen komen – wij zijn in Gods ontferming opgenomen.37

7. De bekering van Israël

De Eeuwige vervult al zijn beloften, maar het behoud van heel Israël is geen goddelijk automatisme. Het gaat langs de weg van bekering, het erkennen van Jezus als de Messias van Israël en de Redder van de wereld.38 Hoe moeten we ons die route concreet voorstellen? Dat is en blijft een lastige kwestie. Er zijn drie mogelijkheden denkbaar:

  • Nahistorisch: heel Israël zal zich bekeren op dezelfde manier als Paulus bij Damascus, namelijk door de verschijning van Christus zelf. Zij zullen het evangelie horen als het woord van de terugkerende Christus (rhèma Christou: Rom. 10,17).39 Maar dit idee roept grote vragen op. Ten eerste: Waarom had Paulus last van zo’n diep en onophoudelijk hartzeer (Rom. 9,3), als hij tegelijkertijd de hoop koesterde dat het met Israël uiteindelijk toch nog goed zou komen? Ten tweede: Leidt dit bij het ongelovige deel van Israël niet tot een verkiezing tegen wil en dank? Ten derde: Normaliter komt in de profetische verwachting eerst het herstel van Israël en dan, als gevolg daarvan, een toestroom van heidenen.40 Bij Paulus is de volgorde echter precies andersom. Daarom is deze mogelijkheid niet goed bruikbaar.
  • Eindhistorisch: heel Israël zal zich bekeren slaat alleen op de eindtijdgeneratie, na het behoud van de heidenen, en is gerelateerd aan de wederkomst van Christus. Zijn komst zal alle goddeloosheden (=het ongeloof) wegnemen. Baarlink zegt het zo: “Nadat de heidenzending zijn doel heeft bereikt, zal er in Israël een openheid voor het evangelie en een heenwending tot Christus komen.”41 Ook hier rijzen kritische vragen. In hoeverre is de eindtijdgeneratie nog ‘heel Israël’ te noemen? Deze mogelijkheid past in geen enkel eschatologisch schema en wordt dan ook door geen enkele exegeet inzichtelijk gemaakt, aldus Ridderbos. Paulus ziet geen andere weg voor Israëls bekering dan de evangelie­prediking in de historie.42
  • Heilshistorisch: heel Israël zal zich bekeren op de prediking van Paulus of andere evangelieverkondigers, als zijn missie naar de heidenen eenmaal tot voltooiing is gekomen. Dit idee is aangedragen door zowel Matter43 als Munck.44 Muncks oplossing stuitte echter op het bezwaar dat ‘horen van het evangelie’ niet hetzelfde is als ‘het Koninkrijk binnengaan’. Paulus gebruikt het binnengaan verder nergens als beeld, daarom zou het volgens Munck hier louter ‘toetreden’ moeten betekenen. Maar deze constructie is geforceerd en bevredigt niet. Het bezwaar tegen Matters oplossing was dat vers 26b lijkt te spreken over de wederkomst van Jezus Christus. Onder punt 4 werd echter al opgemerkt dat dit bezwaar exegetisch niet goed te onderbouwen is. Vers 26b vermeldt niet zozeer de komende Messias als wel het heilswerk van God met Sion als centrum. Deze mogelijkheid blijft dus staan.

De heilshistorische benadering lijkt het meeste perspectief te bieden, maar moet naar mijn overtuiging nog wel aangevuld worden met een toekomstgerichte dynamiek. Paulus had een fundament gelegd dat verder uitgebouwd kon worden. Misschien zag Paulus het in één lijn liggen, zijn apostolische missie naar de volken als heilshistorie én eindhistorie. Zo had Jezus Christus het ook aangeduid toen Hij zei: ‘Het evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn’ (Mt. 24,14//Mc. 13,10). Het was voor de apostel Paulus helemaal in de stijl van zijn missionaire strategie: eerst naar de joden en óók naar de Grieken. Waarom dan in het verlengde daarvan niet nogmaals een beweging gemaakt naar de joden toe, door hemzelf of door zijn medewerkers en hun opvolgers? Hopelijk zou heel Israël zich, door de bekering van zoveel heidenen tot jaloersheid gewekt (Rom.11,11), alsnog gewonnen geven.

Drie factoren hebben er echter voor gezorgd dat het anders liep dan Paulus hoopte:

  1. Zijn Spanjereis bracht niet de grote doorbraak die hij verwacht had. Om de een of andere reden heeft deze reis weinig succes gehad, want er is geen enkele kerk in Spanje die claimt door de apostel Paulus te zijn gesticht.45 Bovendien bleek de tijd van Gods plan te worden uitgerekt. Het verdwijnen van het schema van deze wereld (I Kor. 7,29-31) duurde langer dan Paulus zich had voorgesteld.
  2. In de gekerstende wereld was voor de joden weinig om Jaloers op te worden. Vaak was er vermenging van christendom en heidendom. Niet-joodse christenen eigen­den zich de uitleg van de Schrift toe, Joden werden van godsmoord beschuldigd. De niet-joodse broeders en zusters waren ondanks Paulus’ waarschuwende woorden toch wél eigenwijs: ze dachten dat God bij hen een eindpunt had bereikt.
  3. De hardnekkigheid van Israël bleek groot. Het volk van Gods keuze was volgens de profeet Jesaja al een ongehoorzaam en weerspannig volk (Jes.65,2, door Paulus geciteerd in Rom. 10,21). Veelbetekenend is daarom het voorwaardelijke zinnetje in Rom. 11,23: Als zij niet in hun ongeloof volharden, zullen ook zij weer worden geënt. Aan deze voorwaarde hebben helaas slechts weinig Joden voldaan. Messiasbelijdende Joden zijn nog steeds in de minderheid.

Afsluiting

Heeft Paulus zich vergist? Die conclusie lijkt me niet terecht. Zijn verwachting was vol­komen gerechtvaardigd, gezien het goddelijke heilsgeheim dat de basis vormde van zijn apostolaat. Achter de toekomst voor de heidenen zag de apostel ook toekomst voor zijn eigen volk bij Jezus Christus. Maar wat Paulus de gemeente van Rome per brief toevertrouwde over het behoud van Israël had een profetisch perspectief dat gecompliceerder was dan hij zich kon voorstellen. De heilshistorische en missionaire betekenis van zijn woorden blijkt zelfs tot in onze tijd te reiken.

Daarom is tenslotte de vraag op zijn plaats: wat zijn de consequenties van het voor­gaande voor ons als hedendaagse christenen? Deze uitdagende vraag laat zich niet zonder betrokkenheid beantwoorden. Op zoek naar antwoorden, kan misschien het beste aangehaakt worden bij wat aan het slot van punt 7 opgemerkt is.

  • ad a: God geeft nog tijd voor bekering in zijn geduld met de wereld en dat is onze redding (2 Pe. 3,8-9). Wij leven in het perspectief van het Koninkrijk. Terwijl we bidden om de komst van Gods rijk, worden we opgeroepen zelf in geloof binnen te gaan en anderen voor te houden dat er onder de hemel geen andere naam aan mensen gegeven is waardoor wij behouden kunnen , worden (Hand. 4,12). Of die mensen nu van joodse of van heidense afkomst zijn, buiten Jezus Christus om is er geen behoud. Zo’n wereldwijd appèl krijgt steeds meer urgentie naarmate de eeuwen verstrijken.
  • ad b: Wij herkennen Paulus’ hartzeer vanwege Israël (Rom. 9,2). Er zijn diverse herkenningspunten tussen kerk en synagoge, maar die roepen tevens spanning op.46 Het doet ons verdriet dat we de vreugde van Christus niet met alle joden kunnen delen. Ook onze handen moeten zich uitstrekken naar een ongehoorzaam en weerspannig volk (vergelijk Rom.10,21). Dat zal leiden tot intensief gebed voor Israël. Bovendien moeten wij proberen Israël tot de Messias te brengen.47 Wèkken wij als niet-joodse christenen enige jaloersheid op bij Israël? Dat is precies wat Paulus zijn lezers in Romeinen 12 zal aanbevelen: door christelijke ethiek en levensstijl kunnen de joden alsnog ontvankelijk worden gemaakt voor het evangelie van Jezus Christus.48
  • ad c: Messiasbelijdende joden verdienen onze steun. Zij kennen meer dan wij het existentiële verlangen van Paulus als het om zijn volksgenoten gaat. Nu worden zij nog te vaak beschouwd als een rariteit binnen de christelijke kerk. Moeten zij zich daar zo veel mogelijk assimileren aan de niet-joodse meerderheid of blijft hun joodse identiteit behouden? Koestert moeder de kerk haar kinderen die van Israël afstammen?49 Verder mogen we onze medechristenen van Arabische afkomst niet vergeten, die ook al sinds mensenheugenis het land bewonen.50

De uitleg van Romeinen 11,26a zoals die in dit artikel ontwikkeld is, laat zien dat wij ons als christenen van de eenentwintigste eeuw volop betrokken mogen weten bij wat de apostel Paulus voor ogen stond toen hij zijn brief aan de gemeente in Rome schreef. De relatie tussen Israël en de kerk blijft alle eeuwen door zorgvuldige aandacht vragen. Onze christe­lijke verantwoordelijkheid in deze relatie wordt geactiveerd door de uitgesproken verwach­ting van Paulus als het gaat om het behoud van heel Israël. Ora et labora. Zó doende kunnen we de toekomst gerust in Gods hand leggen. Moge de Messiaanse vrede ons aller deel zijn!

 


Noten:

1 Recente bijdragen aan deze bezinning: het themanummer over Israël van Theologia Reformata, jaargang 50.2 (2007); P.H.R. van Houwelingen, ‘Israël en de kerk: het vervullingsmodel, De Reformatie 83 (2008), 357-359, De heftige discussies rond het 60-jarig bestaan van de staat Israël, vooral binnen de Protestantse Kerk in Nederland, onthullen een zekere theologische verlegenheid.

2 M. Buber, Zwei Glaubenweisen, Zürich; Manesse, 1950; S. Schoon, Christelijke presentie in de joodse staat. Kampen: Kok, 1982; W. Keiler, Gottes Treue – Israels Heil. Röm 11.25-27 – Die These vom “Sonderweg” in der Diskussion. Stuttgart: Katholisches Bibelwerk, 1998. Zie echter R. Hvalvik, “A ‘Sonderweg’ for Israël: A Critical Examination of a Current interpretation of Romans 11.25-27”, Journal for the Study of the New Testament 38 (1990), 87-107; B. Maoz, Vervolg en Vernieuwing. Goes: Oosterbaan & Ie Cointre, 1992, 13-44.

3 Zie www.christenenvoorisrael.nl/wie-zijn-wij.html (bezocht op 29 september 2008).

4 Zie ook Rom. 16,25-27; I Kor. 2,6-7; Ef. 1,9; Kol. 1,26-27, waar in verschillende variaties gesproken wordt over een door God geopenbaard en daarom door Paulus verkondigd geheim.

5 Aldus O. Michel, Der Brief an die Römer (Meyers Kritisch-Exegetischer Kommentar über das Neue Testament). Göttingen: Vandenhoeck& Ruprecht, 195510,249.

6 Aldus O. Hofius, ‘Das Evangelium und Israël’, Zeitschrift für Theologie und Kirche 83 (1986), 297-324, later opgenomen in: Paulusstudien. Tübingen; Mohr. 1989, 175-202. Volgens hem tonen de vele citaten in Romeinen 9-11 aan, dat Paulus het antwoord op het Israëlprobleem dat hem bezighield uit de Schrift heeft afgeleid,

7 Zie J.P. Versteeg, ‘Kerk en Israël volgens Romeinen 9-11’, Theologia Reformata 34 (1991), 151-169.

8 Hofius, ‘Evangelium und Israel’, 312.

9 Recent nog door R. Jewett, Romans. A Commentary (Hermeneia). Minneapolis: Fortress Press, 2007,700.

10 G. Doekes, De beteekenis van Israëls val. Commentaar op Romeinen IX-XI. Nijverdal: Bosch, 1915, 259-261; Versteeg, ‘Kerk en Israël’, 156; H. Baarlink, Romeinen II (Tekst en Toelichting). Kampen; Kok. 1989, 56-57; P.K. Baaij, Israël en de volken. Exegetische studie van Romeinen 9-11. Heerenveen: Groen, 2003, 211; J. van Bruggen, Romeinen. Christenen tussen stad en synagoge (Commentaar op het Nieuwe Testament, Derde serie). Kampen: Kok, 2006, 160. Andere argumenten tegen de duiding van ‘volheid’ met behulp van de uitverkiezing zijn te vinden bij G. Hottz, Damit Gott sei alles in allem. Studiën zum paulinischen und früh-jüdischen Universalismus. Berlin: Walter de Gruyter, 2007, 57-59.

11 Zie ook P.H.R. van Houwelingen, ‘Paulus – eenzaam maar niet alleen. Een integrale exegese van 2 Timoteüs 4,9-22’, Theologia Reformata 49.2 (2006), 144-161

12 Het missionaire perspectief van Romeinen 11 wordt ook benadrukt door Jewett, Romans, 200.202.

13 Contra Hofius, ‘Evangelium und Israël’, 191; Van Bruggen, Romeinen, 171

14 C.E.B. Cranfield, A critical and exegetical commentary on the Epistle to the Romans. Volume II; Commentary on Romans IX-XVI and essays. Edinburgh: T & T Clark, 1979, 576. Hier zou dan een relatie liggen met het onderwijs van Jezus. Eventueel kan ook gedacht zijn aan de eschatologische volkenpelgrimage naar Jeruzalem – van heinde en verre zou men toestromen naar de Messias van Israël die de Redder van de wereld is.

15 Aldus bijvoorbeeld J.M. Scott, “And then all Israel will be saved” (Rom. 11:26)’, in: J.M. Scott (ed.), Restoration. Leiden: Brill, 2001, 489-527; Jewett, Romans, 701.

16 Aldus bijvoorbeeld Cranfield, Romans, 576; N.T. Wright, The Climax of the Covenant. Christ and the Law in Pauline theology. Edinburgh: T & T Clark, 1991, 249-250; J. Fitzmyer, Romans (The Anchor Bible). London: Chapman, 1993, 622-623.

17 Aldus bijvoorbeeld R.H. Bell, The Irrevocable Call of God. Tübingen; Mohr Siebeck, 2005, 258-260; Baaij, Israël en de volken, 251-254.

18 D. Holwerda, ‘Heel Israël behouden’, in; De Schrift opent een vergezicht. Kampen: Voorhoeve, 1998,160-193; P.W. van der Horst, “Pas dan zal heel Israël gered worden”. Kerk en Theologie 51 (2000), 183-188; S. Janse, Paulus en Jeruzalem, Zoetermeer: Boekencentrum, 2000, 290-294.

19 Van der Horst noemt I Kor. 14,25 en I Tes. 4,17 (‘Heel Israël’, 185; zie ook het houtoos in Hnd. 20,11, met vlak daarvoor de temporele aanduiding achri augès!). Minder eenduidig zijn Rom. 5,12en I Kor. 11,28.

20 Scott, ‘Israël’, 491-492, Zie voor het materiaal ook de appendix (527). In 44 van de 60 kerk­vader­citaten wordt kai houtoos in Romeinen 11,26 omschreven met een temporele uitdrukking, zoals tote of meta touto.

21 J.M. Gundry Volf, Paul and Perseverance. Tübingen: Mohr, 1990, 179.

22 Aldus bijvoorbeeld J. Calvijn, Romeinen (vert. D.J. de Groot), Kampen: De Groot-Goudriaan, 313; Wright, Climax of the Covenant, 250; H. de Jong, Van oud naar nieuw. De ontwikkelings­gang van het Oude naar het Nieuwe Testament. Kampen: Kok, 2002, 281-308.

23 Aldus bijvoorbeeld H. Ridderbos, Israël. II: Israël in het Nieuwe Testament, in het bijzonder volgens Rom. 9-11. Den Haag: Van Keulen, 1955, 62; R.Th. de Boer, Israël niet te vergeten. Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1988, 29-30; B.L. Merkle, ‘Romans 11 and the Future of Ethnic Israel’, Journal of the Evangelical Theological Society 43 (2000), 709-721; C. Zoccali. “‘And so all Israël will be saved’ Competing Interpretations of Romans 11.26 in Pauline Scholarship”, Journal for the Study of the New Testament 30 (2008), 289-318.

24 Aldus bijvoorbeeld Michel, Römer, 250-251; Bell, Irrevocable Call, 261-263.

25 Hierover bestaat volgens Jewett een brede consensus onder hedendaagse exegeten (Jewett, Romans, 701). Zie ook D.J. Moo, The Epistle to the Romans (The New International Commentary on the New Testament). Grand Rapids: Eerdmans, 1996, 720-723; K. Haacker, Der Brief des Paulus an die Römer (Theologischer Handkommentar zum Neuen Testament), Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 1999, 238-239.

26 Scott, ‘Israël’, 518. Zie ook Matteüs 19,28 en Lucas 22,30: Jezus beloofde zijn twaalf aposte­len ieder een troonzetel in het Koninkrijk om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël. Zelfs in de diaspora kunnen messiasbelijdende joden nog door Jakobus aangeschreven worden als de twaalf stammen (Jak. 1,1).

27 R. Bauckham, ‘The List of the Tribes in Revelation 7 Again’, Journal for the Study of the New Testament 42 (1991), 99-115.

28 De Septuagint heeft drie keer hèxei: ‘Hij zal komen’.

29 H. Ridderbos, Aan de Romeinen (Commentaar op het Nieuwe Testament, Tweede serie). Kampen: Kok, 1959, 265-266. Even voorzichtig is Haacker, Römer, 242. Hij wijst erop dat het gebruikte werkwoord voor ‘redden’ in het Nieuwe Testament vaker God als subject heeft dan Jezus. Veel stelliger formuleert Légasse, L’epitre de Paul aux Romains(Lectio Divina). Paris: Cerf, 2002, 730-731: «Malgré la tendance générale de l’Apôtre a christianiser les textes de l’Ancien Testament… on peut, sans risque de se tromper, laisser au passage cité Ie sens fondamental qui est Ie sien dans l’original… ».

30 Volgens sommigen zou daarom deze Jesajaprofetie al vervuld zijn. Wat voor Jesaja toekomst was, ligt voor Paulus in het verleden. Het komen van de Verlosser is dan werkelijkheid geworden bij de incarnatie, waarna het evangelie de wereld inging vanuit Sion=Jeruzalem (aldus bij­voorbeeld P.W.L. Walker, Jesus and the Holy City. New Testament Perspectives on Jerusalem. Grand Rapids: Eerdmans, 1996, 136-144). Maar het verlossende handelen van Israëls God laat zich niet beperken tot de incarnatie. JHWH realiseert al zijn beloften in Christus.

31 B.M. Metzger, Textual Commentary on the Greek New Testament. Second Edition. Stuttgart: Deutsche Bibelgesellschaft, 1994, 465: “A preponderance of early and diverse witnesses favors the shorter reading”. Tot de tekstgetuigen voor deze kortere lezing behoort, naast de Codex Alexandrinus en de Meerderheidstekst, die de Byzantijnse traditie vertegenwoordigt, ook de oudste verzameling Paulusbrieven die wij bezitten: P46. Het woordje nunwordt wel gelezen door de codex Sinaiticus en de codex Vaticanus. Enkele minuskels hebben nun inhoudelijk gecorrigeerd tot husteron: later.

32 De Jong verklaart onomwonden: “Het is een essentieel woord” (Van oud naar nieuw, 306-307). Zie ook Ridderbos, Romeinen, 268.

33 Holwerda, ‘Heel Israël behouden’, 183-184.

34 Bell, Irrevocable Call, 283-285 (onder verwijzing naar Ez. 39,25; Joh. 12,31).

35 H. Ridderbos, Paulus. Ontwerp van zijn theologie. Kampen: Kok, 19733, 400.

36 H.M. Matter, “Aldus zal geheel Israël behouden worden”. Waarheid en verdichting rondom Rom. 11:26a’, in: N.J. Hommes e.a. (red.), Arcana Revelata (feestbundel F.W. Grosheide), Kampen: Kok, 1951,59-68.

37 Ter illustratie memoreert Stowers het homerische verhaal over de begrafenisspelen voor Patroclus uit boek 23 van de Ilias, dat in de Grieks-Romeinse wereld beschouwd werd als de stichtingsmythe van de Olympische spelen. Het verhaal vertelt hoe Ajax, Odysseus en Antilochus aan de start verschijnen. Na enige tijd ligt Ajax voorop, op de voet gevolgd door Odysseus. Vlak voor de finish bidt laatstgenoemde tot zijn beschermgodin Athene om meer snelheid. Zij verhoort dat gebed en laat bovendien Ajax uitglijden, zodat Odysseus de wedloop wint. Maar Ajax kan zich herstellen; hij slaagt erin als tweede te eindigen en te delen in de eer. Het struikelen van de één zette de ander op voorsprong. Zo controleert God ook de wedloop van Israël en de volken, Maar het verschil is, aldus Stowers, dat beide partijen volgens de Romeinenbrief zowel verliezers als winnaars zijn en dat God ervoor zorgt dat ze bij wijze van spreken gelijk eindigen. Zie S.K. Stowers, A Rereading of Romans: Justice. Jews, and Gentiles. New Haven: Yale University Press, 1994. Deze verwijzing heb ik te danken aan ds. Henk Poot van Christenen voor Israël. Maar de semantische basis is te smal om in Romeinen 9,30-33 en 11,11-12 tot een wedloopmetafoor te kunnen besluiten. Verder wordt onvoldoende verdisconteerd dat Israël als gevolg van verwijtbaar ongeloof struikelde over Christus die een keiharde steen des aanstoots kan zijn.

38 Dat Paulus hier geen rechtstreeks appèl doet op Israël om zich tot Jezus Christus te wenden, laat zich verklaren doordat hij in deze passage niet-Joodse lezers aanspreekt, zoals aangegeven onder 1.

39 Aldus Hofius, ‘Evangelium und Israël’, 390-320; Scott, ‘Israël’, 522; Bell, Irrevocable Call, 267-270.

40 Om deze opvatting te handhaven, ziet Scott zich dan ook genoodzaakt een soort tweefasen-systeem voor het herstel van Israël te ontwerpen (‘Israël’, 493-496).

41 Baarlink, Romeinen II, 66. Aldus o.a. ook S. Greijdanus, De brief van den apostel Paulus aan de gemeente te Rome II(Kommentaar op het Nieuwe Testament). Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1933, 515-516; Th.R. Schreiner, Romans(Baker Exegetical Commentary). Grand Rapids: Baker Books, 1998, 617-619. Gundry Volf, Paul and Perseverance, 184-185, wil een andere beperking aanbrengen: heel Israël zou volgens haar niet alle generaties van Israël omvatten maar zich tot een bepaalde tijd beperken, alleen de generatie joden die rechtstreeks met het evangelie was geconfronteerd.

42 Ridderbos, Israël, 59-62 (verg. Romeinen, 265), onder verwijzing naar Paulus’ betoog in Romeinen 10,14-17.

43 Volgens Matter heeft de wereldschokkende doorbraak naar de heidenen plaatsgehad in de eer­ste vier eeuwen van het christendom. Het plèrooma der heidenen ligt (helaas) achter ons (‘Aldus zal geheel Israël behouden worden’, 68). Wat aan deze opvatting ontbreekt, is een mis­sionaire gerichtheid op de toekomst. Matter bestrijdt namelijk de gedachte dat God aan Israël een blijvende plaats in de heilsgeschiedenis heeft toegekend. Een bredere onderbouwing van zijn standpunt gaf hij in De toekomst van Israël in het licht van het Nieuwe Testament. Baam: Bosch & Keuning, 1953.

44 J. Munck, Paulus und die Hellsgeschichte. Købnhavn: Munksgaard, 1954; idem, Christus und Israël: eine Auslegung von Röm 9-11. Købnhavn: Munksgaard, 1956.

45 Dat Paulus zijn Spanjeplannen tot uitvoering heeft gebracht, is volgens de meeste onderzoe­kers wel waarschijnlijk. Zie voor uitvoerige informatie over deze reisbestemming: E.J. Schnabel, Urchristliche Mission. Wuppertal: Brockhaus, 2002, 1214-1225.

46 In zijn opstel ‘Ter Herkenning; eenheid en spanning’ behandelde S. Gerssen drie spannings­volle herkenningspunten tussen kerk en synagoge: het lezen van de Schrift, de joodse Messias en de eenheid van het volk Gods (Grensverkeer tussen Kerk en Israël. ’s-Gravenhage: Boekencentrum, 1986, 191-206).

47 De bekering van Israël geschiedt niet zonder de bemiddeling van de heidenen. Zie A. van de Beek, De kring om de Messias. Israël als volk van de lijdende Heer. Zoetermeer: Meinema, 2002,220-222.

48 Dit punt is breed uitgewerkt door A.L.Th de Bruijne, ‘Christelijke ethiek tussen wet, schep­ping en gemeenschap. Een positionering naar aanleiding van Romeinen 12,1 en 2’, Radix 27 (2001): 116-148.

49 E.A. de Boer, “Mag ik de Davidsster dragen?”, De Reformatie 83 (2008): 675-678.

50 “Maar Palestijnse christenen zijn de vergetenen onder de vergetenen” (Van de Beek, De kring om de Messias, 392).