Laat ik beginnen met een bekentenis. Het verzoek van het Nederlands Dagblad om een re­actie te geven op het Kairos­document brengt me in verlegenheid. Aangezien ik in Jeru­zalem werkzaam ben voor het Centrum voor Israëlstudies en betrokken bij de relatie tussen joden en christenen zou ik van nabij kunnen oordelen. Ik betwijfel dat. Dichter bij het vuur zijn betekent in mijn geval geen grotere helderheid, maar eerder dat ik voortdurend ge­con­fron­teerd word met tegenstellingen. Wat in de pers al is gezegd door voorstanders en tegen­standers van het Kairos-document (kairos > ‘het uur van de waarheid’) geeft me het gevoel dat ik de enige ben die niet zo goed weet wat waarheid is en wat leugen.

Sprekend met broeders en zusters die solidair zijn met Israël ben ik geneigd te benadrukken hoe groot het onrecht is dat Palestijnen moeten verdragen. Ik herinner me de ruzie met een oudere dame, nota bene tijdens een pastoraal bezoek! Bij een Israëlische vergeldingsactie in Gaza waren tientallen burgerslachtoffers gevallen. Het liet haar onberoerd; Palestijnen zijn uit op de vernietiging van Israël en als ik dat niet zie, dan komt dat doordat ik net precies contact heb met de paar Palestijnen die anders denken. Samen bidden konden we niet, aangezien ik dan ook de nood in Gaza zou willen noemen.

Sprekend met broeders en zusters die zich identificeren met de Palestijnse schreeuw om hulp heb ik de neiging te benadrukken dat Israëli’s en Palestijnen beide slachtoffer én dader zijn en het onze taak is hen te helpen samen een oplossing te vinden in plaats van een partij te steunen.

Ik herinner me een discussie over Israëls machts­misbruik. Alle Israëli’s zouden mede­plichtig zijn aan een systeem dat erop gericht is Palestijnen het land uit te krijgen. Op mijn tegenwerping dat veel Israëli’s het land willen delen en bepaald niet haatdragend zijn werd ik wazig aangekeken. Over bidden hebben we het niet gehad.

Maar wat waarheid is? Voortdurend blijft er iets in me knagen en zwalk ik heen en weer tussen de vele aspecten van de huidige complexe situatie. Ook nu in de discussie over het Kairosdocument.

Dat begint al met de vraag wat de inzet van deze discussie is. Is het een debat over de voorgeschiedenis van het conflict? Hebben we een theologisch gesprek over de relatie tussen Kerk en Israël? Gaat het om uitwisseling van onze diepste hartenkreten? Of misschien de mobilisatie van onze achterbannen tot actie? De kwestie Israël heeft vele gezichten en evenzovele onontwarbare knopen. In de discussie lijkt iedereen zo zijn eigen agenda te hebben, waarbij ‘Kairos’ zelf slechts de aanleiding is voor een nieuwe ronde met dezelfde aloude argumenten, voor of tegen. Het lijkt me daarom van belang nadrukkelijk te kijken naar de aard van het document.

Het Kairosdocument is het resultaat van een langdurig bezinningsproces, waar de overgrote meerderheid van de Pales­tijnse christenen op een of andere manier bij betrokken is ge­weest. De schrijvers waren afkomstig uit verschillende kerkgenootschappen en hadden zowel theologische als politieke meningsverschillen, zo vertelde een van de opstellers me. Om die reden wordt in het document niet voor een bepaalde politieke oplossing van het conflict gekozen. De verklaring is vooral een geloofsbrief die tot actie wil oproepen.

In enkele woorden samengevat komt de noodkreet neer op het volgende: erken het lijden dat veroorzaakt wordt door de Israëlische bezetting, oefen druk uit op de staat Israël om deze op te geven en herzie elke vorm van theologische rechtvaardiging ervan.

Hoewel dit bekend in de oren klinkt, is er toch meer aan de hand. De achtergrond van de noodkreet is namelijk dat het conflict al te lang duurt. Terwijl politieke onderhandelingen in een impasse verkeren, verslechtert de situatie voor Palestijnen dagelijks en is deze ronduit dramatisch.

Het document noemt de families van elkaar gescheiden zijn door de Muur/Barrière, de zeer beperkte bewegingsvrijheid, vernietiging van huizen enz. Wie maar enigszins met eigen ogen heeft gezien welke schrijnende situaties zich voordoen wordt geraakt door deze uit­roep. Het is dan ook onmogelijk de beschuldigende vinger om te draaien en te laten wijzen naar het Palestijnse leiderschap alleen. In het onrecht gaat het om concrete mensen, waar­onder broeders en zusters in het geloof.

Deze kreet wordt omgeven door politieke en theologische opvattingen. Stuk voor stuk zijn die voor discussie vatbaar. Ik denk aan de uitspraak dat het land van God is en hij er twee volken op heeft geplaatst om er gerechtigheid en vrede na te streven. Hoezeer ik hier ook mee instem, problematisch is dat dit voor Palestijnse christenen betekent dat het joodse volk op geen enkele wijze een eigen, aparte plaats lijkt te hebben in Gods handelen met de wereld. De veelgehoorde klacht tegen de Israëltheologie is, dat God geen voorkeur heeft voor het ene volk boven het andere. Desondanks kiest God wel degelijk in de concrete situatie, zegt het document, namelijk voor de zijde van de onder­drukte. Vanuit het Palestijnse perspectief is duidelijk aan wiens zijde Hij dan staat.

Ook politiek wordt dat verder ingevuld. De bezetting is kernoorzaak van alle geweld. Als deze wordt beëindigd zal ook het verzet tegen Israël ophouden. Het is de staat Israël die weigert land af te staan en zo een oplossing tegenhoudt. Dat lijkt me een nogal eenzijdige en ook rooskleurige inschatting van de situatie, waarin de nodige zelfkritiek ontbreekt. Maar toch, dat neemt niet weg dat het document geen verbittering uitdraagt en dat met geloof, hoop en liefde wordt gesproken.

Tijdens de presentatie in Bethlehem gaf een Joodse spreker aan dat hij getroffen was door de milde toon tegenover het Joodse volk. De opmerking dat degenen die verantwoordelijk zijn voor onrecht bevrijd moeten worden van zichzelf had hem geraakt. Persoonlijk raakt mij hoe gesproken wordt over het geweldadige karakter van de situatie en verzet daartegen. Ofwel de cyclus van geweld vernietigt ons allen, stelt het document, ofwel wij doen ons tegoed aan de vrede. Tegen het kwaad verzetten we ons echter niet door middel van de dood, maar door middel van respect voor het leven, wordt daaraan toegevoegd.

Bij alles wat er te zeggen valt over het document is dit voor mij de kern: onvrede over de huidige situatie en actief verlangen naar Gods Koninkrijk op aarde. Van ‘gloria’ zingen we deze dagen, maar niet zonder te bidden ‘geef in onze dagen peis en vreê, kyrieleis’ (gezang 134 Liedboek der Kerken) en niet zonder Jezus’ opdracht vredestichters te zijn.

Kees Jan Rodenburg

 


Verschenen in Nederlands Dagblad, 24 december 2009