Leviticus 19

‘Wees heilig’ is een waardevol boek, met mooie studies over Leviticus 19. Is het bedoeld als een soort rehabilitatie van dit hoofdstuk? Hier en daar zitten er welhaast apologetische klanken in. Zo wordt de vraag gesteld waarom Exodus 20, de zogenaamde tien geboden, zo dominant is, waar toch ook Leviticus 19 aanspraak maakt op een bijzondere plaats.

Ik heb de indruk dat Exodus 20 terecht een ereplaats onder de geboden heeft gekregen. Het zijn de woorden die, naar de overlevering van Exodus, door God op de Sinaï zijn gesproken uit het midden van vuur, wolk en duisternis, en die op twee stenen tafels zijn geschreven. Volgens de exegeten is Leviticus 19 kunstig vervaard, vertellen is tellen, en functioneert daardoor als een coherent geheel. Ik neem dit zonder meer aan, maar zou toch niet graag zien dat dit hoofdstuk uit Leviticus de bevoorrechte positie van Exodus 20 naar de kroon zou steken. Trouwens, het is ook uit­gesloten dat dit zal gebeuren. In gemeenten waar een wetslezing plaatsvindt, wordt wel met enige regelmaat naar Leviticus 19 gegrepen, maar het zal toch nooit die centrale betekenis krijgen, die Exodus 20 heeft.

Dat neemt niet weg dat een studie over dit hoofdstuk welkom en bruikbaar is. Het bijzondere van dit hoofdstuk ligt onder de opmaat: ‘Heilig zult gij zijn, want ik, de Here uw God, ben heilig’ en het refrein ‘Ik ben de Here, uw God’. Israël krijgt te horen hoe ze moet handelen, wat ze moet doen, wat ze moet laten. Een visioen van een goed leven doemt op, van een echt menselijk leven, van een leven onder de hoede van God. Het besef van God is een motief om te leven zoals Hij het wil. Het is bijvoorbeeld handelen zoals God ten opzichte van de mens handelt.

De vorm van een aantal geboden heeft te maken met het land waar Israël in woont. Voor het besef van de moderne lezer zijn de geboden een mix van algemeen toepasbaar en concreet, toegespits op de situatie van Israël als agrarische natie in het land. Een aantal geboden zijn in mijn taal ‘zuiver moreel’, een aantal zijn meer ritueel van karakter, maar hebben wel een morele bedoeling.

De joods-christelijke dialoog

Deze studie is daarom ook bijzonder, omdat zowel joodse als christelijke stemmen hier aan het woord komen. Zo is een mooi ensemble ontstaan, en is deze studie ook een specimen van de joods-christelijke dialoog op grond van de Schriften. Hierin vervult de kerk de taak, zoals die verwoord is in de kerkorde van de Protestantse Kerk: ‘Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap zoekt zij het gesprek met Israël inzake het verstaan van de Heilige Schrift (in het bijzonder betreffende de komst van het Koninkrijk van God).’(Artikel I,7b).

Deze dialoog is nu al decennia lang gaande. Hopelijk zal deze ook worden voortgezet. Voor de kerk is het van belang de joodse stemmen te horen, om te vernemen hoe de Tenach wordt uitgelegd, en om te horen hoe deze Tenach is opgenomen in het zelfverstaan van het joodse volk.

Wat mij betreft wordt het in een dialoog tussen volwassen partners nu tijd om op te houden met voort­durende spijtbetuigingen of het bestrijden van karikaturen die de een van de ander zou hebben gemaakt. Het worden wat mij betreft – zeker in een studie als deze, waarin je toch de intentie hebt om naar elkaar te luisteren – obligaat aandoende verzekeringen, met af en toe een wat zure apologetische smaak. Ik vind het prima als er de behoefte is om standaard de droeve geschiedenis van de omgang van de kerk met Israël te noemen, maar is dat nu echt nodig in déze studie? Doe dat op momenten waarop het er echt om gaat.

Het is af en toe zelfs gevaarlijk dit te doen. Zo kunnen bepaalde hermeneutische methoden, die op zichzelf niets te maken hebben met antisemitisme of dédain ten opzichte van het Oude Testament al snel de verdenking hiervan op zich laden. Zo lijkt het alsof vergeestelijken in die categorie valt. Wat is er mis met een bepaalde vorm van ver­geeste­lijking? Is Philo dan soms ook een antisemiet? Een specifieke hermeneuse van het Oude Testament die dit sterk betrekt op de vervulling in Christus, moet niet meteen onder verdenking worden geplaatst, anders krijgen we een interactie en dialoog die niet vrij is.

Gods heiligheid en heiliging

De titel van het boek is ‘weest heilig’. Heiligheid is één van de kernbegrippen van de bijbel. Het speelt zowel in de joodse als in de christelijke traditie een belangrijke rol. Het is in Leviticus 19 de rode draad. De heiligheid van God weerspiegelt zich in een bepaald gedrag van mensen, van een volk. Het lijkt een nogal heterogene verzameling geboden en verboden, maar nader exegetisch onderzoek laat zien hoe dit hoofdstuk kunstig is gecomponeerd.

Ik wil een bijdrage geven aan het thema ‘heiligheid van God’ en ‘wees heilig’, door een interpretatie, waarbij ik me mede laat leiden door Leviticus 19. Het is poging te doordenken wat het verband is tussen Gods heiligheid en de heiliging van het bestaan. Het is een christelijke bijdrage, maar ik laat me wel uitdagen door de Joodse stem. Misschien is het niet overdreven te stellen dat het thema heiligheid en heiligen zelf een thema is dat juist in de ontmoeting met het jodendom op tafel ligt.

God is de heilige. Hij is God. Hij betoont zich als ‘de Heer uw God’. De heiligheid van God schept een lichtkring, een levenssfeer. Gods heiligheid heeft zich betoont in de verlossing van Israël uit het land Egypte. Gods heiligheid toont zich in het God willen zijn voor Israël. Dat is de eer die God dit volk aandoet, dat is de eer die God elk mens aandoet die de boodschap mag horen: ‘Ik ben de Heer uw God, Ik ben “God met je”, Immanuël’.

Wat betekent dan deze heiligheid van God voor de mens? Niet dat de mens heilig is als God. Wij zijn stof en as, maar we kunnen wel deel krijgen aan het leven met God. Niet magisch, niet gedwongen, niet als een verzekerd bezit. Daarom is het ook altijd in de vorm van toegesproken worden, opgeroepen worden, laten we zeggen: in de modus van het woord. We krijgen deel aan iets dat we niet zelf beheersen, we krijgen het en we kunnen het kwijt raken, omdat we zelf niet het vermogen hebben het uit onszelf te halen. Daarom steeds weer de woorden, aangesproken worden, opgeroepen worden. ‘Blijf in mij’, heeft Jezus gezegd. Juist omdat je het leven niet in jezelf hebt, moet je ook ‘blijven in Hem’, moet je blijven in de weg van het gebod, moet je de geboden blijven doen, anders val je uit de lichtkring van het woord, uit de wereld van Gods barmhartigheid.

Ik zie dat vertaald in een aantal soorten van oproep. Het is in de eerste plaats gericht blijven op God. Als Hij ‘uw God’ is, dan keren wij ons tot God met de woorden: ‘zie hier ben ik, uw mens, uw zoon, uw dochter’. Het gaat dus om dialoog, en in de dialoog om aandacht voor God. Voor déze God, en daarom geen andere goden. Die mogen het hart niet stelen. Daarom de sabbat, de dag van God, de dag mét God, de dag die ons verkondigt dat God enig is en dat alles zijn waarde krijgt door zijn heerlijkheid en licht. Als die aandacht wegvalt, dan is dat een belediging voor God, maar het is ook een diepe corrumpering van het menselijk leven. Wie de sabbat (als tijd voor God) kwijtraakt, zit opgescheept met lege dagen en een lege tijd, die aangevreten wordt door de leegheid, hoe vol de dagen ook gepland zijn.

Gericht op God, dat wil ook zeggen: terugkeren naar God, je weer uitleveren aan Hem, in een bewuste acte. Het offer drukt dit uit. Het offer is altijd komen uit de vreemde, het is altijd leven van verzoening. Maar het is ook leven van de overgave, van de toewijding aan God. Een geloof dat puur horizontaal is, mist deze muziek. Het weet niet van het offer, van het openbreken voor God. Er is een verkeer tussen God en mens. De offercultus regelt dit verkeer, maar wezenlijk is, dat er verkeer is. Wezenlijk is ook dit besef van bekering, van komen uit de vervreemding, van schuld en boete, dat geeft aan het geloof de gebroken gestalte die het geloof ook menselijk houdt.

De heiligheid van God geeft echter ook aan de dingen hun juiste gewicht, hun soortelijk gewicht. De schepping is een gestructureerde schepping. De dingen zijn niet waardeloos, of waardeneutraal. De mens kan maar niet manipuleren, zonder respect voor de aard van de dingen. Daarom in Leviticus 19 het verzet tegen de vermenging van vee, van zaad, van stoffen. Dat is natuurlijk een moeilijk gebod in tijden waarin we manipuleren bij het leven. We vermengen en scheiden, we raken zelfs aan de kernen van het leven daarmee, splijten het atoom, vermengen de soorten, en raken wellicht diep ongelukkig. Er is een ‘heilige’ grens aan manipulatie, want ook het leven heeft zijn eigen heilig­heid, de afglans van Gods heiligheid. Heiligheid is daarom het nee tegen de verdraaiing van de dingen, tegen een onmenselijke omkering van waarden, tegen de afbraak van de schepping, tegen de onmenselijke gelijkschakeling van de dingen.

Heiligheid wil daarom ook zeggen: doen zoals God, met name in de richting van hen die hulpeloos en kwetsbaar zijn. Heiligheid wil zeggen, dat de ander onder de bescherming en bewaring van God staat. De naaste is degene die God liefheeft. Hier spiegelt zich de heiligheid van God het zuiverst in het menselijk gedrag. God laat zijn zon opgaan over goede en bozen, en daarom worden we opgeroepen zelf ook de ander lief te hebben. Dit gebod concretiseert zich op veelvuldige wijze, en een groot deel van Leviticus 19 maakt dit duidelijk.

Heiligheid wil heel uitgesproken ook zeggen, dat mijn ik niet buiten de grenzen mag gaan, maar een ik is naast anderen, een ik is dat leeft in een gemeenschap. Ik heb mijn bestaan gekregen, als een leven met anderen en ook voor anderen. Zo kom ik ook zelf genoeg aan mijn trekken. Maar wanneer de driften in mij die mijn ego opblazen en tot een schrikwekkende tiran of zuiger maakt, de vrije loop krijgen, wordt het leven onheilig. Heilig is: er is een kwaliteit van leven, van bedoeld leven, waar ik me in mag voegen. De geboden herinneren mij er aan, en laten mij leven in de ruimte van het bedoelde leven.

De noodzaak van interpretatie

De geboden, zoals we ze in Leviticus 19 vinden, zijn natuurlijk toegesneden op Israël in het land. Ze zijn daarom niet voor mechanische herhaling vatbaar. Dat geldt voor jood en christen. Wij hebben ook ons verstand gekregen om ons af te vragen wat de intentie is van de geboden en of die mogelijk in andere contexten ook anders opgevat moeten worden. De manier waarop in deze met geboden omgegaan wordt, maakt het onderscheid nog niet tussen jood en christen. Dat er wel onderscheidingen zijn is duidelijk, maar ze liggen niet op het vlak van letterlijke of rekkelijke interpretatie. Elke interpretatie is letterlijk en rekkelijk, zo lijkt me. Ik vind het echt onterecht om te doen alsof in de christelijke traditie de concreetheid van het gebod is verdwenen voor een abstracte opvatting van het gebod: heb uw naaste lief als uzelf. Dat gebod heeft wellicht minder ‘rituele’ vormen, maar daarmee heeft het wel steeds concrete toepassing gekregen en zijn er veel aanwijzingen in Leviticus 19 die volop een rol spelen. Waarbij overigens opge­merkt dat er ook steeds weer reden is om in schuld en boete te belijden dat we daarvan afwijken en vallen in het kwaad.

De ervaring van God, de heilige

Heiligheid is een kernbegrip. Zonder heiligheid wordt alles profaan. En als alles profaan wordt, is de dood in de pot. Alleen onder het regime van de God die zich bekend maakt als de Schepper, de Verlosser, de God van het verbond, is het leven gewaarborgd. Gelukkig houdt God deze wereld in stand en laat Hij het niet toe dat ze terugvalt in de duisternis, maar voor ons mensen is dat een permanent gevaar. Daarom is er een voortdurende roepstem, die ons terugroept, ook uit de vervreemding van de profaniteit.

Wij mogen God kennen als de God die zich heeft bekend gemaakt, en die gezegd heeft: Ik ben uw God. Van Ek noemt God ‘de Aanspraak’, met een hoofdletter. Dat vind ik niet zo’n geslaagde substantivering. God spreek wel aan, maar is niet de Aanspraak. Hij is God. Ik weet alleen van God door woorden, ook al gaat het geheimenis van God de woor­den te boven. Want God is liefde. Ik geloof dat God mens is geworden en zijn heerlijkheid in het donkere vlees heeft doen oplichten. Van een Aanspraak word ik, denk ik, ook een keer doodmoe, maar wellicht bedoelt van Ek dat God Sprake van zich doet uitgaan. Woord vind ik dan een mooier. ‘In den beginnen was het Woord’.

Wanneer wij spreken over God, de heilige, dan zit daar ervaring in en achter. Hier brengen jood en christen gelijke, maar ook verschillende ervaringen in. Ik wil iets van de christelijke ervaring (uiteraard vanuit mijn perspectief) verwoorden. Het ‘Ik ben de Heer, uw God’ is geen stelling uit een boekje, maar is een ervaring. God betoont zich als de Heer, onze God. Daar klinkt voor mij de naam ‘Immanuël’ in door. In die naam heeft dit ‘ik ben de Heer uw God’ vlees en bloed aangenomen. Jezus Christus is de Messias. God is mens geworden. Christus is geboren uit een vrouw, geboren uit een joodse vrouw, geboren onder de wet, de joodse wet, om ons vrij te kopen van de wet en ons de status te geven van kinderen Gods.

God is in de menselijke werkelijkheid gekomen en heeft de kracht van zonde en kwaad van binnenuit gebroken. Het offer van Christus, zijn dood en opstanding, is het beslissende gebeuren in de tijd. Teksten zoals die uit Jeremia 31, die spreken over een nieuw verbond, zijn zo, naar het getuigenis van de apostelen, in vervulling gegaan. We leven niet meer onder de wet, zegt Paulus, maar onder de genade. Dat wil zeggen: we leven in en door Jezus Christus, die in ons werkt, die door zijn Geest ons tot kinderen van de allerhoogste maakt. Ik weet dat dit grote woorden zijn, maar waar de christelijke gemeente ze niet meer hoort en belijdt, houdt haar bestaansrecht op. Er zit veel geweld in het Nieuwe Testament. Een gemeenschap is er door in tweeën gebroken. Dat is tragiek, waar je nooit genoegen mee kan nemen. Het is een tragiek waar Paulus aan geleden heeft. Maar tegelijkertijd is diezelfde Paulus ook als het gaat om deze tragiek blijven denken vanuit de openbaring van God door Jezus Christus.

Hoe vertaalt zich dit in heiliging?

Met deze openbaring is er plaats gekomen voor de volkeren in het lichaam van het verbond van God met Israël. Zij worden opgenomen in het leven van God met zijn volk. Zij leven uit Christus, de nieuwe mens. Dat is geen onge­articuleerd bestaan. Het is een bestaan in Hem. Dat is een bestaan dat ons mensen in beslag neemt. Om dit bestaan te articuleren zijn woorden nodig, en ook geboden. We leven, ook door Jezus Christus, bemiddeld door woorden. Die woorden zijn ook geboden.

Wel zijn de geboden door een mangel heengegaan. Ze geven richting aan het nieuwe leven in Jezus Christus. In de kern is dat een leven in en door de liefde. Dat moet echter gespreid worden. Daarom de geboden. Maar daarmee kun je niet zomaar de hele inhoud van de wetten zoals die met name in de Thora te vinden zijn, worden overgenomen. Het zijn vooral de 10 geboden die leidend zijn geweest. Maar kijk eens in de brieven van Paulus en de evangeliën, hoe deze 10 geboden ook weer worden uitgewerkt en gespreid. Er komt veel materiaal vanuit de Thora en de profeten terug.

Er ontbreken ook onderdelen. Wat ontbreeks noem ik bij gebrek aan beter maar de cultische en rituele voor­schriften noem. Het offerritueel is weggevallen. Ook rituele voorschriften met betrekking op eten, drinken, kleding zijn weggevallen. Er is geen onderscheid meer tussen reine en onreine dieren. Er is een gedifferentieerde manier waarop geboden uit het Oude Testament doorwerken. Zoals gezegd, ze articuleren het nieuwe bestaan in Christus.

Het is mijns inziens onjuist wanneer gesteld wordt dat de eerste christenen Leviticus 19 nog als een intrinsiek geheel zagen. De houding is van meet af aan eclectisch geweest, op grond van het nieuwe zijn in Christus. Eclectisch ook, omdat het leven met God een nieuwe toepassing krijgt buiten de nationale kaders van het volk Israël zoals dat in het Oude Testament het geval is. Het is zoals al eerder gezegd altijd met vallen en opstaan geweest om het verband tussen heiligheid, naastenliefde en gerechtigheid te zien en te praktiseren, maar het is eenvoudigweg te simpel om te zeggen dat het er niet is geweest.

Dat gebrek aan cultische vertaling is overigens niet in gelijke mate van toepassing over de hele linie van de kerk. Vergelijk op dit punt de romana met het protestantisme en de verschillen zijn opvallend. Het protestantisme heeft het hele leven willen heiligen en heeft daardoor een apart domein voor het heilige opgeheven. Geen heiligen, geen heilig­verklaringen, geen heilige gebaren, dagen, klederen, etcetera. Daar is reden voor geweest, en het protestantisme is, door de eis tot heiliging voor het gehele leven te vragen, een revolutionaire kracht geweest. Toch zit er ook een andere kant aan. Als het profane leven geheiligd wordt, en een eigen terrein van heiligheid, in onderscheid van het profane, wegvalt, kan er ook een profanisering van het heilige, in plaats van een heiliging van het profane optreden. Ik denk niet dat je het nu terug kan krijgen, of weer moet gaan invoeren, het doet al snel willekeurig aan, maar in delen van het protestantisme is zo wel een besef van het heilige en voor het heilige weggevallen. Het kan allemaal zo plat worden, of – en dat is de andere kant: zo fanatiek.

Te veel, te weinig heiligheid?

Dus toch een keer de vraag: heeft het christelijk geloof te weinig oog voor de heiligheid? Er zijn vormen van christen­zijn, waarin het alleen om vergeving gaat. God vergeeft, dat is zijn beroep, en ik kan doen wat ik wil. Dat is een principe en heeft met geloof weinig te maken. Geloof wordt een aanname, een conclusie, die uitgebroken is uit de relatie.

Er zijn ook vormen van christenzijn met een sterk heiligingsideaal, soms wat meer gericht op het individu, soms op de gemeenschap, soms op de vertaling van het geloof in de maatschappij, tot in het politieke domein toe. In de heilig­heids­drang dreigt in een christelijke context snel een rigiditeit in te sluipen, die God als uitgangspunt neemt voor een eigen werkprogramma.

Mist het christelijk geloof de regel? Heeft het te weinig besef voor het heilige, omdat het geen algemeen aanvaarde rituele vormen kent? Dat is ook te algemeen gezegd, ik wees al op het onderscheid tussen protestanten en rooms katholieken. Cruciaal in een christelijke context is het besef te leven voor God en het daarbij horende besef door God in beslag genomen te zijn. Deze richting op God is de eer van het christelijk geloof. De weg tot God is open door Jezus Christus. Tegelijk is dit ook een risico. In het moderne christendom dat in een cultuur van de Verlichting figureert, wordt God vaak een vraag, een vraagteken, een vaagheid. Dan valt het eigenlijke motief om voor God te leven en het bestaan te heiligen in zijn dienst, ook weg. Wanneer dat gepaard gaat met een verregaande vorm van individualisme, waarmee een gezamenlijke praktijk wegvalt, dreigt het begrip heiligheid te verdwijnen.

Chirstelijk geloof, in zoverre het onderdeel is geworden van de Westerse cultuur, staat dus, als het gaat om de heiligheid van God, zwak. Gods heiligheid wil zeggen: God is God, Hij is Subject, Hij is degene aan wie alles hangt. Hij is daarbij zowel de gans Andere als de Nabije. In het geloof richten we ons op Hem. Het geloof kan niet zonder de geloofsacte van een verering van God, een heiligen van zijn naam, een loven van zijn naam. Het kan niet zonder een acte van verootmoediging. Het kan niet zonder een acte van ‘leven met God’, ‘eten met God’. Er zullen momenten moeten zijn, waarin wij voor God staan, met alle modi die daarbij horen: verootmoediging, lofprijzing, dankzegging. Er zullen momenten zijn om naar de stem van God te luisteren, om het heil te ervaren en tot ons te nemen. Anders wordt God ‘gelijkgeschakeld’, Hij wordt een nuttige ondersteuning, een inspiratie voor mijn al of niet gedreven leven.

Gods heiligheid wil ook zeggen: de wereld is geen neutrale grondstof, waar een menselijke wil die van alle beseffen los is, maar zeggingsschap over heeft. Ik zeg niet, dat een vast pakket geboden hier de remedie tegen is. Dat werkt, zoals gezegd, in het christendom niet. Maar de heiliging is van wezenlijk belang. Het heiligen van de tijd, van de ruimte, van de dingen, het besef dat er tegendruk zit in de dingen, dat we maar niet gelijk kunnen schakelen op grond van de drang, de wil tot macht. We denken zo vanuit het menselijke subject, met zijn rechten, dat we de hele idee van een tegenover, waar we ontzag voor hebben, die we respecteren, weg is gevallen, en dat is de teloorgang van ware heiliging.

En Gods heiligheid wil zeggen: de naaste valt onder God, er valt heilig licht op de naaste, hij of zij staat in verticaal licht. Daarom zijn er taboes, daarom zijn er ook opdrachten de naaste tot zijn of haar recht te laten komen. Er zal steeds weer concreet bedacht moeten worden wat dit betekent. Wat zijn de randen van het veld nu, die niet afgemaaid mogen worden? Ook hier zullen er vertragingen en remmingen op een levensstijl die de ander niet meer ziet, of alleen nog functioneel ziet, moeten zijn.

Een godsdienst die haar praktijk in een regel heeft vastliggen, is wellicht minder vatbaar voor gelijkschakeling, al dreigt uiteraard hier weer het gevaar van een ongemerkt doodbloeden van een rituele praktijk. Toch kan die ook gezien worden als een draad, waaraan het leven hangt, die ook altijd weer gevuld kan worden en opnieuw inhoud kan krijgen. Als christenen kunnen we daar niet ‘naar terug’, de dingen werken nu eenmaal anders, er staat een persoon in het midden van de Godsverering en in het midden van de ethiek. Desalniettemin zijn de morele en rituele praktij­ken wel concreet vastgelegde zekeringen tegen de grote gelijkschakeling en nivellering die met name in het Westen en helaas ook tot ver in het westerse christendom binnen zijn geslopen.

Zoals gezegd: in de christelijke traditie zijn andere beslissingen gevallen. We mogen en kunnen daar niet achter terug. Wel kan de vraag gesteld worden of we, zeker in het huidige tijdgewricht, niet meer binding nodig hebben, vrijwillig, zonder beklemmende werking, door enkelingen en gemeenschappen aangegaan, die ons helpen de ethiek van het evangelie te leiden en begeleiden.

Als aanzet tot verdere discussie wil ik het hier graag bij laten.

Arjan Plaisier
30 september 2009, Amersfoort/Ede