Graag wil ik beginnen met u te bedanken voor de uitnodiging om hier het woord te voeren. Als woordvoerder Buitenlandse Zaken van de ChristenUnie-fractie in de Tweede Kamer is mij gevraagd om tijdens dit symposium te spreken over het thema ‘Verbonden en kritisch? Hoe staat een christenpoliticus tegenover de staat Israel?’ In deze vraagstelling ligt impliciet besloten dat een christenpoliticus anders tegen de staat Israël en het conflict in het Midden-Oosten zou aankijken dan een politicus die geen christen is. Is dat ook zo? Tegelijkertijd wordt met dit thema de vraag opgeworpen of je als christenpoliticus nog wel kritisch naar Israël kunt kijken. Beide vragen kan ik bevestigend beantwoorden. Mijn christen-zijn heeft invloed op de manier waarop ik tegen Israël aankijk, maar dat betekent niet dat er daardoor geen ruimte meer is voor een kritische blik.

Ik voel mij als christen en als lid van de ChristenUnie-fractie op bijbelse gronden verbonden met de staat Israël. God heeft met het volk Israël een verbond gesloten. Dat verbond heeft ook nu nog betekenis (zie bijvoorbeeld Romeinen 9 t/m 11). God is trouw aan het volk dat Hij uit alle volken verkoren heeft, waarin hij zich aan alle volken heeft willen openbaren en waardoor het heil in het verlossingswerk van Jezus Christus tot alle volken gekomen is. In Israël ligt het begin van de verspreiding van het Christendom. Natuurlijk heeft Israël voor mij als christenpoliticus een speciale betekenis!

Die verbondstrouw van de God van Abraham, Isaak en Jacob wordt door ons als christenen geloofd en beleden. Maar zij is niet slecht een geloofs­veronder­stelling. Nee, Gods trouw is reëel, zichtbaar en tastbaar. Dat geldt in een mensenleven, dat geldt in het bestaan van het volk Israël. En net als menigeen die in zijn of haar leven met tegenslagen en moeiten te maken heeft, kan Israël erover meepraten dat de zekerheid omtrent Gods trouw bepaald geen garantie vormt van een moeiteloos bestaan. Onder ons is een bekende uitdrukking dat God ons levensschip geen rustige vaart heeft beloofd maar wel een behouden aankomst; sommigen mogen dat beschouwen als een tegeltjeswijsheid, maar het geeft intussen wel goed weer hoe we de Vaderlijke trouw van onze God mogen verstaan.

Want wie zou willen betwisten dat Gods trouw aan zijn volk door de eeuwen heen zichtbaar en tastbaar is gebleven, dwars door vervolgingen, diaspora, antisemitisme en holocaust heen? Het is toch een wonder dat dit volk, dat altijd opgejaagd is geweest, door de eeuwen heen de eigen identiteit heeft bewaard? En dan 1948: een eigen staat, een eigen thuis voor dit opgejaagde, uit elkaar geslagen en vervolgde volk. Het is Gods hand, waarvan we geloven dat ze de geschiedenis leidt, die in dit alles zichtbaar is. Hij blijft trouw aan zijn beloften, bijbelse profetieën zijn en worden in de menselijke geschiedenis bevestigd. De geschiedenis van de mensheid is Gods geschiedenis. Hij is de alpha en de omega, het begin en het einde. Hij laat niet los wat zijn hand begon. Zou dat niet zeker gelden voor het door Hem uitverkozen volk?

De 85-jarige Israëlische generaal buiten dienst (b.d.) Shimon Erem verwoordde het vorige week zaterdag op de familiedag van Christenen voor Israël zo:

‘Alle grote naties die tegen Israël zijn opgestaan, zijn verdwenen. Er is maar één natie die tot de huidige dag voortbestaat. Dat is Israël. Een unieke natie. Dat zegt ons de Bijbel. Wij hebben één ding wat de anderen niet hadden en niet hebben: de grote Opperbevelhebber (met een kapitale O). In alle oorlogen die ons zijn opgedrongen, hebben wij door Hem de overhand gekregen.’

Wij weten allemaal dat de totstandkoming van de staat Israël, het verkrijgen van een eigen nationaal tehuis, niet heeft geresulteerd in een veilige leefomgeving. Van een beschermde woonvorm is zogezegd geen sprake gebleken. Integendeel: letterlijk vanaf dag 1 is het bestaan van de staat Israël een aangevochten bestaan geweest en is er de noodzaak geweest om zich te beschermen tegen omringende landen en extremistische organisaties die – krachtens hun officiële doelstellingen – uit waren (en helaas nog altijd zijn) op de vernietiging van de staat Israël. Denk bijvoorbeeld aan de uitspraken die de Iraanse president Achmedinejad bij herhaling heeft gedaan over ‘het in zee drijven’ en ‘van de kaart vegen’ van de staat Israël. Deze agressieve houding van Iran in combinatie met de aspiraties van dit land om zich te ontwikkelen tot een kernmogendheid zijn zeer bedreigend voor de stabiliteit en veiligheid van de regio en in het bijzonder voor de veiligheid van de staat Israël.

Onze bijbelse verbondenheid met Israël is er dus één met een volk in de verdrukking en in benauwdheid. Vanwege die bijbelse verbondenheid en op basis van historische en morele argumenten mag Israël aanspraak maken op onze politieke steun en onze vriendschap. De ChristenUnie besteedt in haar buitenlands beleid dan ook veel aandacht aan Israël en de Midden-Oostenproblematiek. In het verkiezingsprogramma waarmee de ChristenUnie op 22 november jl. deelnam aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer, en die voor de partij zo voortreffelijk zijn verlopen, is een zeer uitgebreide Israëlparagraaf opgenomen. Ook in die paragraaf wordt nadrukkelijk verwezen naar de speciale betekenis die de staat Israël voor christenen heeft. Belangrijk uitgangspunt in het verkiezingsprogramma is dat een duurzaam vredesakkoord slechts kan worden bereikt met veilige en erkende grenzen van de staat Israël. Op aandringen van de ChristenUnie is dit uitgangspunt nu ook in het regeerakkoord opgenomen!

Politieke steun en vriendschap impliceert echter niet dat je kritiekloos bent. De beste spiegel is immers een goede vriend. Evenmin als liefde is echte vriendschap blind. Integendeel: echte vriendschap ziet juist heel scherp! Wie echt vriend wil zijn, steunt waar mogelijk en corrigeert waar nodig. Loyaliteit aan Israël doet niet af aan de gemeenschappelijke binding aan het volkenrecht en internationale rechtsbeginselen. En ook aan de Palestijnen moet recht worden gedaan; we willen er oog voor houden dat ook het Palestijnse volk lijdt onder het geweld. Trouwens ook onder het bewind van de Palestijnse Autoriteit; ik denk in het bijzonder aan onze broeders en zusters, de Palestijnse christenen. Maar laten we ook met elkaar vaststellen dat de houding van de Arabische wereld er nog altijd één van passiviteit is, bij het onverschillige af; alle harde woorden die op gezette tijden in de richting van Israël worden gesproken, kunnen niet verbloemen dat men de Palestijnen domweg aan hun lot overlaat en geen enkele wezenlijke bijdrage aan de oplossing van het conflict levert.

Als christen-politicus en als representant van een politieke beweging van christenen, wil ik zó voluit vriend van Israël zijn en daar ook met vrijmoedigheid voor uitkomen. En het is dan ook tegen deze achtergrond dat ik uit diepe overtuiging en met grote stelligheid staande houd dat voor een duurzame vrede in het Midden-Oosten vóór alles nodig is dat er sprake is van veilige en erkende grenzen voor Israël. Al het andere komt daarna. Dit uitgangspunt is ook bepalend voor de houding van de ChristenUnie-fractie ten aanzien van de nieuw gevormde Palestijnse regering van Fatah en Hamas. Pas als de nieuwe Palestijnse regering volledig akkoord gaat met de drie voorwaarden van het Kwartet (VN, EU, VS, Rusland): erkenning van de (grenzen van) de staat Israël, totale afzwering van het gebruik van geweld en onderschrijving van de eerder gesloten vredesakkoorden tussen de PLO en de Israëlische regering kan er wat de ChristenUnie-fractie betreft gesproken worden over een hervatting van de Nederlandse en Europese subsidierelatie en de diplomatieke betrekkingen. Het lijkt er echter op dat de nieuwe Palestijnse eenheidsregering vooralsnog onvoldoende bereid is om aan deze voorwaarden tegemoet te komen. De ChristenUnie-fractie zal de ontwikkelingen kritisch blijven volgen en als daartoe aanleiding is de regering er op aanspreken. Dat kan met het regeerakkoord in de hand.

Veilige en erkende grenzen… Ja: dat staat óók in een VN-resolutie! Het is een kernpunt van de beroemde resolutie 242 uit 1967! Pas als de Arabische landen dit erkennen, volledige diplomatieke betrekkingen met Israël aangaan en hun verantwoordelijkheid ten aanzien van het beëindigen van iedere vorm van terrorisme werkelijk gestalte geven, kan een duurzame vredesregeling totstandkomen. En erkenning van de staat Israël impliceert de erkenning dat Jeruzalem de ongedeelde hoofdstad van die staat is. Zoals wijlen premier Rabin twee maanden voor zijn dood zei: ‘Er is geen staat Israël zonder Jeruzalem en geen vrede zonder een verenigd Jeruzalem.’ De ChristenUnie blijft erop hameren Jeruzalem door de Nederlandse regering als de ondeelbare hoofdstad van Israël behoort te worden aangemerkt. De Nederlandse ambassade hoort dan ook niet in Tel Aviv, maar in Jeruzalem.

En om nog maar eens zo’n heikel punt te noemen: de zogenaamde ‘bezette gebieden’. Israël heeft het recht zich te verdedigen en het eigen volk te beschermen. Omwille van de veiligheid is het noodzakelijk dat Israël in die gebieden aanwezig blijft. Daarbij wil ik opmerken dat het een vertekening van de geschiedenis is dat het juist die aanwezigheid in de betwiste gebieden is die heeft geleid tot het Palestijnse geweld en terrorisme: Ronny Naftaniël en Wim Kortenoeven hebben in de CIDI-publicatie ‘Israël en de Palestijnen – tien moeilijke kwesties’ in kort bestek zeer helder aangegeven dat de historische gang der dingen omgekeerd was, dat er eerst – dus al vóór 1967 – het terrorisme was en pas daarna de aanwezigheid van Israël op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. En ik deel van harte hun conclusie dat zolang het terrorisme voortduurt, het voor Israël onmogelijk is om een territoriaal compromis te sluiten dat een einde zou maken aan wat genoemd wordt de bezetting, ongeacht de verantwoordelijkheid die ook op Israël rust om een einde te maken aan de voortdurende geweldsspiraal en bij te dragen aan het vinden van een oplossing voor het conflict.

Wie spreekt over ‘veilige en erkende grenzen’ voor Israël kan natuurlijk niet heen om zgn. veiligheidsbarrière, ook wel ‘de muur’ of ‘het hek’ genoemd. Het treffen van maatregelen als deze door Israël is alleszins begrijpelijk. Zeker, er dient oog te zijn voor de humanitaire gevolgen van het hek voor de Palestijnse bewoners en er is best verschil van mening mogelijk over het meest geëigende traject. Maar we kunnen over de veiligheidsbarrière niet spreken zonder de voorgeschiedenis erbij te betrekken. Zonder de terroristische aanslagen en de voortdurende dreiging van Palestijnse zijde in de richting van de Israëli’s was er geen muur. Als de Palestijnse Autoriteit de beloftes die zij in het kader van de Oslo-akkoorden op zich heeft genomen was nagekomen, waren er nu open grenzen geweest. Geen misverstand: met zeer velen heb ik de afgelopen jaren de spiraal van actie en reactie, aanslagen en ver­gelding, met gevoelens van machteloosheid en een groeiende moedeloosheid gadegeslagen. Net als iedereen die vurig verlangt naar vrede in het Midden-Oosten betreur ik dat Israël en de Palestijnen zich al zo lang in dit geëscaleerde conflict in een soort dodelijke omhelzing bevinden waarbij voor derden nauwelijks ruimte voor interventie lijkt te zijn.

Maar dit alles kán niet afdoen aan het goed recht van Israël om zich te verdedigen tegen de machten die al meer dan een halve eeuw het bestaansrecht van de staat Israël betwisten en door hun niet aflatende strijd tegen Israël het veilig wonen illusoir hebben gemaakt. Ik vind het dan ook beschamend als ik zie, lees en hoor hoe gemakkelijk velen, ook politieke leiders, en ook in ons land, op hoge toon Israël de les lezen over het feit dat men met alle mogelijke middelen de eigen bevolking tegen terroristische aanslagen tracht te beschermen. Na 11 september 2001 en zeker na 11 maart 2004 – ‘Madrid’ – is er in West-Europa meer bereid­heid dan ooit om onorthodoxe maatregelen in de strijd tegen islamitisch-fundamentalistisch extremisme en terrorisme te aanvaarden: ‘Het is wel heel dichtbij gekomen’, zeggen we dan en we geven groen licht voor wéér nieuwe maatregelen. Maar ten aanzien van Israël zeggen we vanuit de comfortabele leunstoel voor het Journaal dat de maatregelen van de Israëlische regering niet bijdragen aan het dichterbij brengen van de vrede in het Midden-Oosten…

Overigens: ik besef terdege dat we niet over ‘de Palestijnen’ in generaliserende termen mogen spreken, als zouden het allemaal terroristen of potentieel gewelddadige fundamenta­listen zijn. Niet voor niets heeft de ChristenUnie door de jaren heen oog gehad voor de moeitevolle positie van veel Palestijnen die te lijden hebben gehad onder het autoritaire bewind van de Palesijnse leiders en onder de overheersende invloed van de extremistische clubs als Hamas, Al Fatah, de Islamitische Jihad e.d. De moeiten en belangen van het Palestijnse volk en hun principieel gerechtvaardigde nationale aspiraties moeten óók op onze agenda staan. Maar niemand kan ontkennen dat van Palestijnse zijde het beeld wordt bepaald en de toon wordt gezet door radicale en gewelddadige elementen, waardoor het perspectief van een oplossing waarbij ook aan de Palestijnse verlangens kan worden tegemoet gekomen, steeds verder weg is geraakt. De vredesonderhandelingen zijn veel­vuldig verstoord door (zelfmoord)aanslagen en geweldadige acties van Palestijnse zijde. Het is trouwens wel goed om er nog eens op te wijzen dat het tweestatenmodel, dat nu al zo lang de inzet is van een verbeten en bloedige strijd, in 1947 voor de Arabieren binnen bereik was, maar door hen werd afgewezen, juíst omdat zij meenden dat er geen plaats voor Israël was!

Aansluitend bij het centrale thema van dit symposium ‘Bidden om vrede voor Jeruzalem… maar hoe?’ wil ik afsluiten met een klemmend appèl op u allen om u, ieder op de eigen plaats en met de eigen mogelijkheden, te blijven inzetten voor vrede in het Midden-Oosten en om te blijven bidden voor een veilig wonen van Israël. Vanuit de vaste overtuiging dat het conflict in het Midden-Oosten diepe religieuze wortels heeft en dat de onmacht van mensen om in vrede met elkaar te leven niet het laatste woord zal hebben, willen we, pleitend op Gods trouw aan het volk van zijn verbond, gehoor geven aan de klemmende oproep in het bijbelboek van de Psalmen en bidden om de vrede van Jeruzalem.

J. Voordewind
maart 2007