Het wordt een paar keer gezegd van Jezus, maar Hij zal het duizenden keren gedaan hebben: ‘Hij zegende en brak het brood’ (Markus 14:22, 6:41, 8:7, HSV; de NBG’51 vertaalt: ‘Hij sprak de zegen uit’; de NBV: ‘Hij sprak het zegengebed uit’). Het gaat over wat religieuze Joden deden en nog doen: voordat je gaat eten zeg je eerst

‘Gezegend Gij, HERE onze God, Koning der wereld,
die het brood uit de aarde doet voortkomen.’

Wellicht waren het in Jezus’ tijd al diezelfde woorden. In elk geval ging het niet om het zegenen van het brood, maar van de Gever en Schepper daarvan. Gód wordt ‘gezegend’.

In het Jodendom zijn er veel gebeden die lijken op de bovengenoemde ‘zegenspreuk’. Men noemt ze beracha (meervoud: berachot, Jiddisch: broche). Beracha is het woord voor allerlei ‘zegen’, maar dus ook in specifieke zin voor woorden waarmee God wordt gezegend. Zulke woorden vormen de hoofdmoot en ruggengraat van het Joodse bidden.

Ons woord ‘bidden’ betekent eigenlijk ‘vragen’, en onze gebeden bestaan vaak ook grotendeels uit vragen. In het Jodendom is het danken en loven en ‘zegenen’ van God het belangrijkste. Bijna alle Joodse gebeden worden gedragen door het ‘Gezegend Gij…’

Een belangrijk deel daarvan zijn de korte berachot die horen bij bepaalde momenten – zoals de bovengenoemde die wordt gezegd voor een maaltijd waarbij brood wordt gegeten. Ze beginnen doorgaans met de woorden ‘Gezegend Gij, HERE onze God, Koning der wereld, …’ – en dan volgt bv.: ‘… Schepper van de vrucht van de wijnstok’; ‘… Schepper van lekker ruikende kruiden’; ‘… die de naakten kleedt’; ‘… die denkt aan het verbond en die trouw is aan Zijn verbond en die Zijn woord gestand doet’ (bij het zien van de regenboog). Zo zijn er nog heel veel meer, bv. voor als je de donder hoort, of de zee ziet, of een regerende vorst(in) of een mooi/wijs persoon ontmoet, als je de eerste bloesem aan een vruchtboom ziet, als je iets moois meemaakt, als je goed of slecht nieuws krijgt.1

De manier waarop de berachot verweven zijn in heel het leven tekent een bijzondere beleving van de werkelijkheid. Telkens sta je er bij stil dat dingen niet vanzelfsprekend zijn, maar dat ze spreken van Gods grootheid, goedheid, macht, trouw, liefde en genade. Je spreekt dat met zoveel woorden uit. Je beseft zo het wonder van het ‘gewone’. In de Joodse traditie geldt: ‘Wie het goede van deze wereld gebruikt zonder een beracha te zeggen pleegt heiligschennis.’ Omgekeerd zou je kunnen zeggen dat de dingen door de dankzegging geheiligd worden. Paulus spreekt daarover in 1 Tim. 4:4v: ‘Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets is verwerpelijk, wanneer het onder dankzegging (met een beracha) aanvaard wordt. Want het wordt geheiligd door het Woord van God en door het gebed.’ Om het preciezer te zeggen: de dingen worden niet heilig gemaakt door berachot, maar de heiligheid ervan wordt erkend en beleefd. De beracha is een uiting daarvan – maar tegelijk wordt het je daarmee telkens te binnen gebracht.

Daarbij staat God zelf centraal. Rabbijnen hebben gediscussieerd over de vraag of het moet zijn ‘Gezegend Gij, HERE…’ of ‘Gezegend zij de HERE…’ Met andere woorden: moet je God ook aanspreken? Is het niet ongepast om steeds Zijn aandacht te vragen? Beslist is gekozen voor het ‘Gij’: het gaat om het beleven van de relatie, van Zijn tegenwoordigheid. De berachot spreken van Gods nabijheid (‘Gij’) – én van Zijn verhevenheid (‘HERE onze God, Koning der wereld’).

Opmerkelijk is het verschil tussen hoe wij – om dat maar als voorbeeld te nemen – ‘een zegen vragen voor het eten’ en hoe in het Jodendom een zegen wordt uitgesproken. Wij vragen of God ons wil zegenen, Joden zegenen God. De beracha is op Hem gericht, Híj staat centraal.

God wordt gezegend. Dat klinkt ons wellicht vreemd in de oren. God is zelf de bron van alle zegen, en als wij mensen zegenen, dan is dat in feite – in ons gewone taalgebruik – dat we Gods zegen inroepen over iemand of iets. Maar kunnen wij God zelf zegenen? Wat kan dat voor betekenis hebben? Toch wordt de uitdrukking in de Bijbel vaak gebruikt. In de vertalingen staat er dan doorgaans ‘geloofd’ of ‘geprezen’. Dat hoort er zeker ook bij. Maar het gaat om meer. Het is God erkennen als de Zegenaar, van wie alles komt en van wie alles ìs. ‘Wie God zegent erkent Zijn grootheid en spreekt de wens uit – en zal zich er ook voor inzetten – dat Gods grootheid meer en meer erkend zal worden op aarde. Wie een beracha bidt verbindt zichzelf aan God en zijn dienst. Juist hier wordt dan ook duidelijk dat beracha meer is dan alleen een lofprijzing zeggen. Het is levensheiliging.’

 


1) Er zijn ook berachot die gezegd worden bij het doen van geboden; die beginnen met: ‘Gezegend Gij, HERE onze God, Koning der wereld, die ons geheiligd hebt door uw geboden en ons geboden hebt …’ Gods geboden zijn ook voluit reden tot dank, en bij het doen ervan gaat het uitdrukkelijk om Zijn eer.

ds. Aart Brons