In dit hoofdstuk kijken we terug op de afgelopen zestig jaar, de periode vanaf de oprichting van de staat Israël tot nu. In dit korte tijdsbestek heeft de staat zich ontwikkeld tot een modern land en heeft ze een grote bijdrage geleverd aan de toenadering tussen Joden en christenen. Tegelijkertijd is de staat ook verwikkeld geraakt in een uitzichtsloze spiraal van gewelddadigheden met het Palestijnse volk. Terwijl ik dit schrijf, is het Israëlische stadje Sederot dagelijks doelwit van beschietingen en zijn in enkele dagen tijd tientallen Palestijnse doden gevallen bij vergeldings­acties.

Een van de gevolgen van de politieke situatie is, dat de christelijke betrokkenheid bij Israël ter discussie staat. Terwijl de staat lange tijd werd gezien als teken van Gods trouw, hebben de laatste jaren steeds meer christenen moeite met die gedachte. De discussie over Israël draait min of meer om de vraag, wat de aard is van de verbonden­heid tussen kerk en Israël.

Stichting van de staat Israël

In de twintigste eeuw zijn het twee gebeurtenissen geweest, die de Joodse gemeenschap sterk hebben beïnvloed. Naast de ervaring van de Sjoa (ramp) tijdens de Tweede Wereld­oorlog, was de oprichting van de staat Israël een diepingrijpend moment. Wat eeuwenlang niet mogelijk was geweest werd in mei 1948 waar. Voor het eerst in tweeduizend jaar bewoonde het volk het land van weleer en leefde het er als onafhankelijke natie. Het Israëlische volkslied geeft sterk uitdrukking aan dit gevoel: Zolang Joden naar het oosten, naar Sion kijken is de tweeduizend­jarige hoop nog niet verloren, de hoop om een vrij volk te zijn in een eigen land, in Sion en in Jeruzalem (vrije vertaling).

De terugkeer naar het land was overigens al in de negentiende eeuw begonnen. De eeuwen door had een kleine Joodse gemeenschap het land bewoond, maar nu was voor het eerst sprake van immigratie­golven. Het zionisme, dat als seculiere beweging begon, zag de oprichting van een eigen staat als het enig mogelijke antwoord op het groeiende anti­semitisme in Europa.

Betwiste onafhankelijkheid

Voor 1948 probeerden de Britten de toestroom van Joodse immigranten te beperken, vooral uit bezorgdheid over spanningen tussen de aanwezige Arabische bevolking en de nieuwe immigranten. Al snel werd duidelijk dat de staat Israël vanaf het begin twistpunt voor de volken zou zijn.

We kunnen hier niet ingaan op alle details van de geschiedenis. Terugkijkend op de zestig jaren achter ons zien we een uiterst somber beeld. Joden waren niet welkom in het land dat ze als het hunne beschouwden en hen deels door de internationale gemeenschap werd toegewezen. Van hun kant werden Joden zelfs al voor de onafhankelijk­heid geconfron­teerd met de vraag hoe ze zouden omgaan met de aanwezige Arabische bevolking. Het land was bepaald niet leeg en onbewoond, zoals soms wordt gesuggereerd. Joodse antwoorden op de vraag varieërden van optimisme over de mogelijkheid samen te leven in hetzelfde land tot de overtuiging dat de Arabieren zouden moeten wijken. Het resultaat was een reeks van oorlogen met omringende landen. Honderd­duizenden Arabieren vluchtten of werden ver­dreven. Israël veroverde grote stukken land, waar miljoenen Palestijnen woonden, iets dat door dezen als bezetting werd en wordt ervaren. Tot op vandaag zijn de partijen er niet in geslaagd via onderhandelingen tot overeen­stemming te komen. Beiden menen recht te hebben op hetzelfde land en versterken hun aanspraak met religieuze argumenten.

Vooral de zesdaagse oorlog in 1967 zou een groot stempel drukken op de situatie. Deze door Israël gewonnen oorlog, leidde tot gebieds­uitbreiding, maar vooral ook tot de bemach­ti­ging van de Oost Jeruzalem met de Klaagmuur en het Tempelplein. De gebeurtenissen ver­sterkten onder een deel van de religieuze Joden de overtuiging dat God rechtstreeks had ingegrepen in de strijd en nu heel het land aan de Joodse gemeenschap gaf. Dat kon niet anders zijn dan het teken, dat de messiaanse tijd op komst was. Een politiek compromis over het land was in deze visie volstrekt uitgesloten.

Land en volk van de Bijbel

De geschiedenis van het Joodse volk raakt ons christenen in meerdere opzichten. De oprichting van een Joodse staat heeft christenen zowel figuurlijk als letterlijk de ogen geopend. Als land en volk was Israël na het jaar 1948 niet meer te negeren.

Vooral de laatste decennia hebben duizenden christenen het land Israël bezocht en is voor hen de Bijbel op nieuwe wijze gaan spreken. Hoewel het land strek veranderd is, komen verhalen nog steeds tot leven wanneer ze gelezen worden in het gebied waar Ruth aren in­zamelde, waar Jesaja profeteerde en waar de Here Jezus rondtrok, stierf en opstond uit de doden.

Meer nog dan de kennismaking met het land van de Bijbel, heeft de ontmoeting met het Joodse volk invloed gehad op christenen. Nu Joden zelfstandig leefden, konden zij ook in volledige vrijheid uitdrukking geven aan hun identiteit. Christenen ontdekten daardoor het Jodendom als levend geloof en waren onder de indruk van de Joodse wijze van leven met de Tora, het vieren van feesten en het gebed, om enkele voorbeelden te noemen. Joden waren, van hun kant, bereid uitleg te willen geven over hun leven en toonden interesse voor christenen.

Deze ervaringen riepen als vanzelf de vraag op naar de betekenis van het Jood-zijn van de Here Jezus. Ondanks de breuk die in het verleden tussen kerk en synagoge was ontstaan over Jezus Messiasschap, groeide het besef, dat de relatie tussen christenen en Joden uniek is. Die relatie zou gekenmerkt moeten worden door gesprek. Voor zending kon daarom geen plaats meer zijn.

Niet alleen de kennismaking met het land of het Jodendom hebben christenen beinvloed. Een grote groep christenen werd sterk aangesproken door de geschiedenis van het volk Israël en zag in de terugkeer van de Joden de vervulling van profetieën. God was volgens hen bezig de wereld te verlossen. Christenen moesten volgens deze visie solidariteit tonen met het volk dat God zijn oogappel noemde.

Onopgeefbare verbondenheid

De Nederlandse Hervormde Kerk heeft de ontdekking van de bijzondere relatie tot het Joodse volk in de vijftiger jaren van de vorige eeuw onder woorden gebracht met de uitdrukking ‘onopgeefbare verbondenheid’. Het is precies deze verbondenheid die op de zestigste verjaardag van de staat Israël ter discussie staat. Met name de groeiende aandacht voor de moeilijke situatie van het Palestijnse volk en dan vooral de christenen onder hen, hebben ertoe geleid dat fundamentele vragen worden gesteld bij de relatie die de kerk heeft met de staat Israël. Betekent onze verbondenheid met het Joodse volk dat we de staat Israël kritiekloos moeten steunen?

Oog voor Israël

Christenen met oog voor Israël, hebben daarvoor uiteenlopende motieven gehad. We kunnen die nu niet uitgebreid bespreken, maar ik wil er wel op wijzen, dat deze motieven vrijwel altijd sterk emotioneel geladen zijn. Of het nu om schuldgevoel over het verleden gaat of om wederzijdse herkenning, om gedeelde toekomstverwachtingen of de hoop op Israëls bekering, de relatie tot Joden raakt een diepe snaar.

In alle nuchterheid moeten we zeggen, dat de verbondenheid van christenen vaak gebaseerd zijn op een bepaald beeld van Israël of gericht is op een bepaald deel van de Joodse gemeenschap. In die zin zegt de christelijke verbondenheid met Israël meer over de kerk dan over Israël.

Het is mijns inziens noodzakelijk dat christenen oog krijgen voor het werkelijke Israël. Dat Israël bestaat uit een verwarrende veelheid van godsdienstige en seculiere groepen met elk hun eigen opvattingen, wensen, problemen en vragen. Het is echter evenzeer een volk dat worstelt met de vraag naar haar identiteit en de manier waarop het leven in de staat vormgegeven moet worden. Dat Israël is een volk als alle andere volken en heeft tegelijker­tijd een bijzondere roeping in de wereld.

Pas als ons denkbeeldige Israël plaats maakt voor dit levende Israël, dan kunnen we vasthouden aan de bijzondere aard van het Joodse volk en kunnen al te grote verwachtingen worden vermeden. Wanneer we oog krijgen voor dit Israël, kunnen we solidair zijn met zowel het Joodse volk als met de Palestijnen.

Verbond

Het is verrassend te lezen, dat Paulus in Romeinen 9-11 de verbondenheid tussen de kerk en het Joodse volk niet baseert op christelijke emoties of ervaringen. Hij legt uit, dat God ons als niet-Joden heeft laten delen in het verbond met Israël. We zijn geënt op de stam van de olijf. Dat betekent niet dat Gods verbond met Israël is beëindigd, maar dat het zich verbreed heeft naar de volken. Het betekent ook niet dat Jezus niet de Messias van Israël is, maar dat de Joodse afwijzing tijdelijk is.

De verbondenheid met Israël is dus verankerd in Gods handelen. Een belangrijk gevolg hiervan is, dat we verbonden zijn met geheel Israël, zowel het godsdienstige als het seculiere deel daarvan, zowel het deel dat de Here Jezus belijdt als het deel dat Hem afwijst. God is immers trouw aan zijn volk en houdt haar vast in tijden van geloof en ongeloof en door hoogten en diepten heen. Aan Israëls geschiedenis mogen we de zekerheid ontlenen dat God de wereld vasthoudt. Daarom is het bestaan van Israël een teken en mogen we ons ver­heugen over de mogelijkheid die God zijn volk geeft om een nieuw bestaan op te bouwen en Hem in vrijheid te dienen. We moeten daarover wel voorzichtig spreken, zoals het Joodse gebed, dat de staat Israël ‘het begin van het ontluiken van de verlossing’ noemt. Niet minder, maar ook niet meer dan dat.

Tegelijkertijd mogen we laten merken dat we geven om het leven in de staat en bezorgd zijn over de situatie. In die zin mogen er ook vragen worden gesteld aan Israël. Het gesprek tussen Joden en christenen gaat niet alleen over geestelijke vragen, maar ook over de naleving van het verbond en de heiliging van het leven. Als Joden en christenen hebben we wat dat betreft ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Onze bezorgdheid om veiligheid, vrede en gerechtigheid komt niet voort uit hoogmoed, maar uit het verlangen naar Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid. Samen met Israël mogen we ons erin verheugen dat God trouw is aan zijn verbond met Israël en met de volken. Zowel in woord als in daad mogen we daarvan getuigen zijn.

Kees Jan Rodenburg